Maandelijks archief: november 2014

Charlies Chicken Angels

Standaard

Meet Bea, Linda en Ria.
Deze drie vriendinnen wonen sinds een aantal weken in onze tuin. Ik vind kippen fantastisch. Niet alleen omdat ze eieren leggen, waar ik dol op ben, of omdat ze lekker én veelzijdig te verwerken zijn in talloze gerechten (kip aan het spit!) Maar ook omdat ze gezellig zijn- onze buurvrouw noemde hun getok ‘rustgevend’, en daar ben ik het helemaal mee eens. U begrijpt dat onze kippen echt niet aan het spit kunnen eindigen.

Ik eet alleen andermans kippen, die van ons ken ik nu al te goed. Linda is de kleinste en was vanaf het eerste moment vast van plan op verkenning te gaan buiten de ren. Handig Houdini-de ze zich door de spijlen van de omheining door, keer op keer, totdat we de hele boel nog maar eens extra hebben beveiligd met (het hier hoogstwaarschijnlijk voor bedoelde) kippengaas. Dan moest ik haar vangen, maar ze leek er geen problemen mee te hebben gezellig onder mijn arm te blijven zitten,  als een gevederde chihuahua, verwonderlijk met haar oogjes knipperend.
Bea is de grootste en Ria heeft de kleinste kam. Zij wandelen als twee oude dames naast elkaar door de ren, en bivakkeren graag onder het kippen hok.
Toen ik aan een tante en ervaren kippenhoudster terloops (eens) vroeg wat die beesten nou eigenlijk eten, naast de etensresten, schillen en granen die de meeste kippenhouders die ik ken ze geven, vertelde ze me dat ze zelfs muizen grijpen. Muizen!
Maar het was waar. De eerste dagen cirkelden wij als een soort David Attenboroughs rond de ren, met onze telefooncamera’s op stand-by. Kinderen erbij, u snapt het wel. Die waren overigens bang voor de nieuwe tuinbewoners. Man slaagde er dus werkelijk in een spannende scène met een muis vast te leggen, die op de door ons gestrooide broodkruimels afkwam. Net op het laatst zie je hoe Bea (of Ria, dat weet ik niet precies maar Linda was het zeker niet) op het beestje afschiet dat moet rennen voor zijn leven. Echt waar!
En ja. een paar uur later lag het daar, vertrappeld in de aarde, het lichaampje nog slap en warm. De kippen bekeken me arrogant toen ik hen vroeg: “En wie van jullie zit hier achter?” Niet alsof ze me ooit antwoord zouden kunnen geven natuurlijk. Maar ik was weer een wist-je-datje rijker: kippen vermoorden muizen.
Ik bedacht me later dat we ze ook Kristel, Karen en Josje hadden  kunnen noemen (KIP-3!) Maar Bea, Ria en Linda bekt heel lekker, en het zijn niet heel toevallig ook de namen van onze tantes – de naamkeus per kip is overigens volstrekt willekeurig-, maar dat bedoelen we dus lief.
Toen we de kippen net hadden gekocht en met ze over de markt liepen, zus naast de buggy en beesten erin (zo’n doos met drie stuks pluimvee weegt wat), zagen we zo nog verscheidene gezinnen lopen. Ik bespeurde een trend. “Met honden mag het ook, dus waarom niet met kippen?” Zei een vader, die ook zijn kleine uit de buggy had gezwierd om de gevederde vriendjes erin te zetten. We zijn ook meteen aan de slag gegaan met pogingen om ze te temmen. Stel je voor, een knuffelkip. Het leek ons al leuk als ze uit onze hand zouden eten of de kindertjes eens af en toe hun veertjes mochten aaien. Zo educatief ook!

En natuurlijk wanen wij ons nu eco-warriors, nu we in onze eieren voorzien. Er is nog een van het stel -we weten niet wie- die niet leggen wil, maar al vanaf de eerste dag vinden we minimaal één ei en soms twee. We lezen ons in wat betreft het leven en welbevinden van onze kiekens, die zich trouwens aardig zelf redden. Hoe gezellig ze ook met z’n drieën scharrelen, wee de argeloze houtduif of ekster die in de ren een graantje mee komt pikken. Die jagen ze er binnen een paar seconden als een soort Charlie’s Angels weer uit. Af en toe zoek ik wormen voor ze en nu ze dat weten, komen ze op me af stormen en pikken al naar mijn voeten en handen eer ze weten of ik wel wat gevonden heb, en lopen ons overal achterna. Kippen, zo weten we nu na al die aanvallen op indringers, zijn lang niet zo onschuldig als ze lijken en kunnen in behoorlijk kwaadaardige beesten veranderen. En soms zijn ze ook gewoon lekker suf. We hebben inmiddels geleerd dat, wanneer je ze rustig benadert en ze tussen hun veren streelt, ze met hangende vleugels op de grond gaat zitten, en je ze gewoon kunt pakken of aaien. De kip denkt zelf dat er een haan aan komt (dit vertelde de kweker ons) en kan er in feite niet aan weerstaan. Voor ons is het handig als ze weer terug de ren in moeten. En het blijken inderdaad knuffelkippen. Echte kippenfluisteraars, zo voelen wij ons.IMG_2708

Advertenties

Of we het al weten.

Standaard

Het is een vroege herfstdag als ik naar de slager ga voor een kilo rundergehakt. “En weten jullie het al?” vraagt de immer goedgemutste verkoopster. Ik ben even verward en denk dat ze doelt op Anna en mezelf, terwijl we op onze beurt staan te wachten. Maar nog voor ik twee ons Maya-de-Bij-worst en mijn gehakt wil bestellen, zie ik aan haar blik dat ze me herkent.

Ik ben -sinds ons minder-vlees-eten-regime- al een aantal weken niet meer geweest, maar een kort babbeltje over onze semi-emigratie een paar weken terug heeft meer indruk gemaakt dan ik dacht. “Nou, eigenlijk nog niet,” zeg ik herstellende van mijn verbazing. Ik bedenk me hoe leuk ik het wel niet vind dat ze blijkbaar nog weet wie ik ben en steek mijn gebruikelijke ‘We-willen-wel-maar-het-is-zo-ver-verhaal’ af, want zo is het. En ze knikt begrijpend. De meeste mensen snappen wel dat emigreren een tikkeltje meer gevolgen heeft dan wanneer je je camping voor de zomervakantie voor volgend jaar kiest. Zeker als het de andere kant van de wereld betreft.

Anderzijds gebeuren er hier ook dingen. De man is in zijn muziek gedoken. We hebben kippen aangeschaft. Ik werk aan een boek. Louie gaat weer naar school. ik ben daardoor veel alleen met Anna, mijn kleine stuiterpeuter die dan weer niet kan wachten om naar school te gaan, terwijl ik haar broer er de eerste weken nog net niet heen moest sleuren. Zo kon het gebeuren dat ik op de speelplaats stond met twee hevig huilende kinderen aan mijn been: de een wilde niet naar binnen, de ander wilde niet weg.
Tegenwoordig gaat het beter, Louie heeft een ‘beste vriend’ en wanneer hij die naar het lokaal ziet vertrekken drentelt hij er achteraan, zijn moeder opeens compleet vergeten, zijn zus in onbegrip achterlatend. Dan gaan Anna en ik naar huis, en volgt haar persoonlijke entertainment. Waar broerlief urenlang met zijn treintjes op de grond kan liggen en zichzelf eigenlijk al sinds zijn babytijd kan vermaken, is zus er een van het soort dat je graag bij haar spel betrekt. Het is een eindeloos “Mammakommiskijke” “Mammajijmeedoen” of “Mammaikgawegge!” om dan achter de deur te gaan staan, en te wachten of je wel kijkt. Want ze gaat ‘boodschappen doen’: ze morrelt wat met een klein tasje en het doosje oude munten. Dat soort dingen.’S ochtends drinkt ze graag een ‘koppie’ (gestoomde melk met een theelepel koffie en gekleurde sprinkles).
Schoonmaken of koken: erg lief dat ze wil helpen, maar niet als ze met de kraan vol open ook de rest van je aanrecht wil ‘afwassen’ of haar handjes steeds vervaarlijk dicht in de buurt van de kookplaat komen.Je kunt geen koekje ongezien in je mond stoppen want mevrouw heeft het gezien en wil ook. Naar de bakker gaan we niet voor brood maar voor het snoepje dat zíj krijgt. Op woensdag gaan we olijven en noten snaaien op de markt die voor dat doel staan uitgestald bij de delicatessenkraam.
In de supermarkt is ze all over the place, ze wil helpen, ze wil een karretje, ze wil díe koekjes, ze wil dingen op de band leggen en ze wil vooral ondersteboven aan het afscheidingspoortje van de kassa hangen. Ik gok dat ze een talent voor turnen gaat hebben, mijn man is ervan overtuigd dat ze atleet wordt en mijn schoonmoeder hoopt dat ze biatlon – haar favoriete wintersport op tv- gaat doen. Wij staan met zweethanden in de speeltuin wanneer we weer eens tot bovenin het klimrek is geklommen en vragen ons af of ze wel een goeie beschermengel heeft, gezien het feit dat ze soms wel tot drie keer per dag ergens vanaf kukelt (vaak haar eetstoel) omdat ze nooit stilzit of niet helemaal oplet. ‘Goh, wat is ze hard veranderd’ zeggen mensen die we kennen en al een tijdje niet gezien hebben steeds en zo is het.
Het is nu een jaar geleden dat we vertrokken naar de andere kant van de wereld, met een peuter en een kale anderhalfjarige. We zijn er best weemoedig van. Het is ook niet zo dat emigreren een doel op zich is en dat het dus eender welk land kan zijn (al denken we na over alternatieven, zoals Noorwegen, voor die biatlon). Voor nu hebben we familie en vrienden die erg blij zijn dat we in de buurt zijn -dat te beseffen doet ook goed-, en verder zien we wel.  Het is een soort van dilemma: het leven daar, de mensen van wie we houden hier, maar uiteindelijk, hoe of waar dan ook, vinden we onze draai wel.  Het is niet alsof de rest van het leven nu gedefinieerd is.  Zoals ik laatst ergens las: “The point of living is not to resign yourself to one part of life, but to continually redefine yourself.”  Een geruststellende gedachte.

IMG_3018