Maandelijks archief: juni 2012

Beest!

Standaard

Louie heeft een beste vriend, die hem tegenwoordig overal vergezeld. Hij wordt meegezeuld aan z’n nekvel of aan een poot, dan weer achteloos gedropt omdat meneer z’n aandacht door iets belangrijkers is getrokken, waardoor het arme ding met zijn badstoffen pelsje regelmatig op straat of in de modder belandt. Maar ook klemt onze zoon hem graag in zijn armen, en zuigt op een van de oortjes of een poot. Soms staart hij daarbij dromerig in het niets, terwijl hij met een handje aan een van de andere oren of pootjes pulkt, totdat hij weer genoeg Beest-liefde heeft bijgetankt en hem weglegt.

Het mormel dat wij ‘Beest’ zijn gaan noemen, omdat ik echt niet zou weten wat voor dier het eigenlijk moet voorstellen, heb ik ooit liefdevol in Louie’s ledikantje gelegd. Ik vond mezelf, als moeder zijnde, te oud voor knuffelbeesten. Eerst deed Louie er helemaal niks mee, tot hij op een nacht zijn tut verloor, in plaats daarvan een oor van Beest vond en er driftig op begon te sabbelen. Veel beter dan dat rubber moet hij gedacht hebben, sloeg zijn armen om Beest heen en sindsdien zijn ze onafscheidelijk.

Beest is een cadeautje van mijn nichtje die in Londen woont. In een hippe gadgetstore kocht ze deze ‘Ugly Doll’ (want zo luidt de officiële naam van Beest zijn soort) voor me,  jaren voor Louies geboorte. Beest had daar talloze broertjes en zusjes in al even bizarre verschijningsvormen als hij zelf: stoffen mormels met kruisjes als ogen, stoffen opgenaaide vampiertandjes, kromme korte ledematen en hoekige lijfjes, soms voorzien van vleermuisvleugels, met vachtjes in allerhande rare kleuren, made in China.

Beest zelf heeft een bleek-grijsgroene tint, ronde, starende vilten oogjes, een klein oranje vilten neusje en als bek een zwarte streep met twee vierkante tanden. Zijn uitdrukking is dommig, en daarom ook weer heel grappig. Zijn lijf is een rechthoek, zijn stompe oortjes even groot als zijn pootjes en zijn armen zijn in verhouding dan weer te lang. Hij is ook zacht, geduldig en heel aaibaar. Hele gesprekken -in brabbeltaal- voert onze zoon met hem, als hij ‘ s avonds in zijn bedje ligt.

Maar waar Beest eerst gewoon overdag in zijn kamer bleef, moet ie nu perse overal mee naartoe. Waar Louie gaat, is Beest. Steeds als je denkt: ruik ik daar een kakkebroek? Of: wie heeft er hier zo’n slechte adem? Of: wordt er aan het riool gewerkt? Dan kun je ervan uitgaan dat Beest in de buurt is. Want dat gesabbel op die oren en poten laat zo z’n sporen na. Beest heeft een heel typische lichaamsgeur, die Louie heerlijk vindt en wij afschuwelijk. Hoe trots we ook zijn dat hij wil delen: als hij ons ook eens ruimhartig een van Beest zijn oren of poten aanbiedt, weigeren wij gruwend doch beleefd.

Dus af en toe, wanneer Louie aan het spelen is en niks door heeft, snaai ik Beest weg wanneer die weer ergens rondzwerft in de kamer en stop hem rigoureus in de wasmachine, waar het mormel anderhalf uur lang de golven mag trotseren. In paniek was ik, toen de wasmachine kuren kreeg en ik hem niet kon redden van het eindeloze ronddraaien in de watermassa. Maar Beest zorgt voor nog meer stress.

Het punt met kleine kinderen die hun knuffelbeesten wegleggen dan wel laten vallen, is namelijk dat ze ze vergeten. Meteen. En daar schuilt een groot probleem. Want alles is goed en wel totdat het bedtijd is. Dan zie je ons zoontje zoekend rondkijken. Waar is zijn vriend? En dan is het heibel in de tent en moeten er zoekacties op touw gezet. Meestal is Beest niet verdwenen. Maar soms wel. Zoals die keer, toen we op een tussenstop in Philadelphia op de terugweg  van onze huwelijksreis besloten de stad te gaan bekijken en iets cultureels te doen, en we er bij de Liberty Bell achterkwamen dat Beest echt WEG was, omdat Louie hem weer eens achteloos uit de buggy had laten vallen.

Toen kon je een wanhopige moeder op slippers door de drukke straten van Philly zien rennen (ik heb nog een litteken van een schurend bandje op mijn voet), op zoek naar een verfomfaaid object, het lievelingsspeelgoed van haar zoon, die ontroostbaar zou zijn als ze het niet zou vinden. Wat en passant ook voor een absolute hel van een vliegreis zou veroorzaken. Racend door het park sprak ik nog snel een koppel aan met kinderen: hadden zij soms een grijsgroenig knuffelbeest gezien? Ouders kijken naar zulke dingen. De moeder zei meteen : ‘Ja, die ligt daar op het kruispunt, wij dachten al dat er een kind heel verdrietig ging zijn!’

En zo redde ik Beest, die inderdaad midden op een kruispunt, liggend op zijn rug, zonder iets te zien naar de bleekblauwe hemel staarde, terwijl het verkeer langs hem heen raasde. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest om eerst te wachten tot ik over kon steken, en ik kan je niet vertellen hoe opgelucht ik was toen ik het zachte knuffelbeestenlijf weer vast had.

Eigenlijk vinden we nu dat Beest overdag boven moet blijven, maar dat is moeilijk. Louie zet het dan op een gillen en gaat staan stampvoeten onderaan de trap. Wat ik zou moeten doen is: een reserve-Beest zien te bemachtigen. Dat kan nog via internet. Maar ik twijfel. Want Beest heeft ook een plekje in mijn hart.  Omdat ie mijn zoontje blij maakt, en hem al op zoveel avonturen heeft vergezeld. Moest hij ooit verdwijnen, kan een kopie het  verdriet dan oplossen? Ik vraag me af of Louie daar trouwens in trapt. Maar ik zou me ook een bedrieger voelen.  Er is maar één Beest.

Louie’s liefste kameraad.

Advertenties

“En we noemen haar Brokkie”

Standaard

De eerste weken met een baby. Slaapt ze goed? Hoeveel weegt ze? Op wie lijkt ze? Dat is wat iedereen wil weten. Maar vooral: Geef je borstvoeding of niet, en: eet ze goed? En tjsa, vooral eten, dat doet ze goed. Misschien wel een beetje té goed. Direct na de bevalling vindt ze wat ze hebben moet, en laat de eerste dagen zowat niet meer los. Om dan, op haar tweede nacht, zoveel te drinken dat ze als een Britse coma-zuiper tijdens een uitgaansnacht op Ibiza in een grote straal alles over me heen projectielbraakt, terwijl ik me net lag te verwonderen over dit kleine, fragiele mooie mensje naast me in het ziekenhuisbed.

Dat is nu -net als ik- besmeurd met een gele laag melk met brokjes (sorry voor de beeldende uitleg, het is maar dat men er voortdurend naar vraagt dat ik best bereid ben in detail te treden).Terwijl ik mezelf en babylief uit natte, zurig ruikende kleding pel, komt de nachtzuster binnen die ik heb gebeld voor schoon beddengoed. “Komt dat uit uw baby?” Roept ze verbaasd uit. “Ja,” zeg ik, enigszins trots, dat ik in staat ben dit allemaal zelf te produceren en dat mijn kleine meid het zo gulzig opdrinkt. De zuster, een vriendelijke brunette van in de twintig met een zonnig humeur, fronst haar wenkbrauwen en zegt: “Nou, weten we in ieder geval dat het goed lukt met de voeding.”

De nachten erop herhaalt kleine Anna haar kotsfonteintrucje nog maar eens, waarop iedere keer geduldig de verpleegster verschijnt met een schoon laken. Ik blij ben dat ik na vier dagen naar huis mag, want ik ben door mijn schone kleding heen, en ik geef Anna ‘Brokkie’ als koosnaampje, vanwege de melk met brokjes, die nog best lastig uit  wollen vestjes te wassen is. De kinderarts heeft verzekerd dat het geen kwaad kan, en inderdaad verrekt mijn kleine meid geen spier na zo’n sessie. Ze smakt wat en kijkt verbaasd, en na een half uur ofzo produceert ze dat typische baby-krokodilgeluidje (een soort kort ‘eeeeuww, eeeuww’-roepje, zoek het maar eens op op Youtube) waaraan ik kan horen dat ze opnieuw eten wil.

Aan de onderkant gaat het overigens net zo: ze bewaart alles voor een volle lading. Ik was gewoon vergeten dat baby’s  kleine verteermachientjes zijn waar voortdurend in een rap tempo van alles in- en uitloopt. Alle schattige poppenkleertjes die ik heb gekregen en gekocht heeft ze nu dus inmiddels wel een keer aan gehad, en gelukkig heb ik massa’s hydrofielluiers (die dingen waarvan je bij je eerste kind afvraagt waar je ze nou nodig voor gaat hebben) om de ergste stroom spuug te stelpen. Buiten het feit dat ik meerdere verkleedsessies per dag moet houden, en de wasmachine overuren draait, gaat alles overigens voorbeeldig.

De kamer staat vol bloemen en er hangen slingers, Louie kan gillen zo hard ‘ie wil zonder dat zijn zuster er wakker van wordt, Ik hoef er ’s nachts maar twee keer uit, echtgenoot heeft twee weken vrij dus dat is extra fijn &gezellig en ik kan genieten van de licht chaotische feestsfeer in huis, net zoals met kerstmis. Ons leven draait weer voor even om poepluiers, voedingstijden, nachtbraken en ‘even kijken of ze nog ademhaalt’ (want ze slaapt zo rustig!). Ik weet nu hoe snel kleine kindjes groter worden en daarom maak ik me niet druk om bijvoorbeeld het feit dat ik soms om twee uur ’s middags nog niet gedouchet heb, er nog afwas staat of dat ik Louie er net vandoor heb zien gaan met een koffiekoek. Onze kleine meid is thuis, ons gezin weer compleet. Alle reden voor een roze wolkje.

En zo werd ik weer eens ondergespuugd. Tot in mijn haar.

BABY ANNA!

Standaard
BABY ANNA!

10 juni 2012

Daar ligt ze dan, in haar bakkie naast mijn bed. Armpjes in juichstand. Af en toe trekt ze een grimas. Haar gezichtje is al helemaal ontrimpeld van het negen maanden ronddobberen, en ik vind haar de mooiste dochter van de wereld. Natuurlijk. Ik ben helemaal verliefd. Wie had dat gedacht? Als iedere moeder van een aankomende tweede,  is de vraag wel eens door me heen gegaan: kan ik van dit kindje net zoveel houden als van de eerste? Ja dus.

Ouder worden doe je maar een keer. Alle volgende kinderen maken je nog meer ouder. Of ouderder. Of zoiets. De intense liefde en bizarre loyaliteit die je voelt als je moeder wordt, is bij nummer twee net zo groot. Zoals cabaretière Claudia de Breij het in haar boekje ‘Krijg nou Tieten’ (leuke zwangerschapslectuur) het ook mooi wist te zeggen: ‘Wij mensen denken graag in lineaire tijd en limieten: er is een begin en er is een einde. Ergens houdt het op. Maar met raakt nooit op. Van liefde is er altijd genoeg, want alle liefde is er al. Zoals het universum, het heel-al, ook alles omvat.’ Dat dit erg filosofisch is, geeft ze zelf ook toe. Maar ze heeft wel gelijk. Natuurlijk vraag ik me een hele hoop praktische dingen af. Hoe moet dat nu met twee, als je boodschappen doet, of onder de douche wil? Zal Louie geen streken krijgen als ik Anna te eten moet geven? Hij vindt het nu nog wel grappig allemaal, maar wat als we straks met haar thuis komen? Maar vooralsnog zijn de eerste signalen positief. Al vind hij de Cars-Duplo die ‘zijn zusje hem cadeau heeft gedaan’ wel interessanter. Daar zitten tenminste wieltjes aan. Ik verheug me erop, deze nieuwe fase. Drukker misschien, maar ach. We zien wel. En kleine Anna? Die is zich nergens van bewust. Kijk haar nou slapen. Ik was vergeten hoe ontspannend het is, om zo’n wurmpje te zien tukken. En ook dat ze bij voorkeur ’s nachts wél graag hun oogjes open doen en van zich laten horen, juist waar het bezoek dan heel de tijd op zat te wachten. En hoe intens dat is, als je elkaar voor het eerst eens goed bekijkt. En hoe vertrouwd. Alsof zij er ook altijd al was. Het is waar: alles is er al. Compleet.

Bakkie Peet’s

Standaard

In de wereld van slapeloze nachten en vroege ochtenden delen mijn man en ik een gezamenlijke liefde: koffie. Ik dut sinds mijn zwangerschap als een beer in winterslaap – met dito gesnurk dat manlief dan weer wakker houdt- en ben zelf met geen stok wakker te krijgen.

Cafeïne dus. Mij maakt het wakker, mijn man houdt het wakker. Ik moet tot mijn grote spijt bekennen dat ik, als ware koffieliefhebber, nog steeds niet in het bezit ben van het fantastische espressoapparaat wat wij zo graag in de keuken zouden hebben: De ‘Bezerra BZ 10’ met ‘warmtewisselaar-voor direct-koffie-of-stoom’ of de ‘Agata, in Retro Italiaans Design’. Deze bolides onder de koffiemachines kosten echter veel geld, en ik wil dus wel een echte, niet zo’n apparaat van een veredeld frituurketelmerk dat ook zo nodig koffiezetters moest gaan maken, met plastic melkstoombakje.Kom zeg.

Met die cupjes heb ik ook niks, dat vind ik zo’n getrut. Zelf bonen malen wil ik! We zullen dus nog even moeten sparen. Maar ja. Wij hebben nu een Senseo, en sommige mensen zullen zeggen: hoe kun je nou van koffie houden als je dat spul drinkt? Ik creëer er toevallig behoorlijk lekkere latte’s mee, waar ik tot nu toe -bij gebrek aan beter- heel tevreden over was. Totdat ik van de week in het kader van ‘ nostalgie naar onze huwelijksreis’ het pak ‘Peet’s Coffee’ uit de kast haalde -een aantal grammen French Roast van de meest geweldige koffiemaker die ik ken.

Ik had nog ergens zo’n potje met zo’n drukdeksel (‘cafetiere’ heet dat toch?) om koffie mee te zetten,  en aangezien  ik ons souvenir anders waarschijnlijk over vijf jaar versteend, smakeloos en wel in de vuilnisbak zou mikken omdat ik het eigenlijk zo lang mogelijk wilde bewaren voor ‘de ultieme gelegenheid’ en de koffie zelf ondertussen zou vergeten (God verhoede!), was het moment dat ik er toevallig toch mee in mijn handen stond, ook het juiste om het pak maar meteen aan te breken.

Ik rook het al toen ik de schaar er in zette: Californië, De zon, de zee, toeren met de huurauto, slenteren langs Manhattan Beach, en na een aantal dagen kamperen in de bergen en tussen de hoge bomen weer eens ouderwets commercieel een koffiezaak induiken-want dat kan in de VS op zo ongeveer iedere vierkante meter. Waar wij werden verrast door de ongelofelijke koffie van deze Peet, die de juiste verhoudingen van zijn cappuccino’s en latte’s kende.

Ik snap sindsdien niet meer waarom ik wel eens naar Starbucks wilde, eigenlijk. Proefondervindelijk blijkt maar weer eens, dat de beste koffie ofwel geschonken wordt in onafhankelijke shops, of bij Peet’s, een kleine Californische keten. Deze theorie slechts onderuit gehaald door het afschuwelijke bucht gekocht in een wegrestaurant ergens in een heel noordelijk Californisch dorp tussen de Redwoods (weet niet of u Twin Peaks ooit heeft gevolgd, maar dat sfeertje), waar een stel ZZ-top-klonen en familie huisden.

Enthousiast ging ik dus in de weer met onze herontdekte kostbare koffie, en zo wij op die zondagmorgen aan de ontbijttafel zaten, waanden we ons even terug in de tijd, en proefden we naast de sfeer van Californië, weer eens het verschil dat echte koffie maakt. Nu is er echter een klein probleem ontstaan. Omdat Peet’s in onze eigen kopjes net zo goed smaakte als in de to-go bekers die we nuttigden op straat, is ze bijna op. Oeps. Van ons zakje ‘French Roast’ zo authentiek met de hand gemalen, rest nog slechts een bodempje.

En dat is jammer. Want laat ik nu net bedacht hebben wat wel echt een goed moment is voor bijzondere koffie. Inderdaad. Die ochtenden dat je niet meer weet of je überhaupt geslapen  hebt omdat je ofwel om de twee uur op moest om je kind te voeden danwel liefhebbende echtgenoot bent die toch al niet meer slaapt als ie eenmaal  een keer wakker is geworden.

Hoewel we al gezegend zijn met kind dat net als wij geen ochtendmens is (half negen is een heel normale tijd voor hem) weten we dat van nummer twee natuurlijk nog niet. En wat al het eventueel nachtelijk gehuil met haar broer zal doen is ook maar de vraag. Bij het eerste ochtendgloren dan een kopje Peet’s, dat zou pas bijzonder zijn.

Ik heb op de website van Peet gekeken(www.peets.com), je kunt de koffie bestellen. Maar omdat men in Europa denkt dat ik die blijkbaar in bulkhoeveelheden ga aanschaffen en hier illegaal verhandelen, moet ik voor een lullig pakje koffie van nog geen halve kilo 43 dollar importbelasting betalen. Natuurlijk ben ik wel zo debiel om dit in al mijn hormonengekte (mooi excuus) een keer te willen doen (en dan bestel ik wel twee pakken) maar ik realiseer me dat dit louter eenmalig zou zijn. Just for the sake of it. Daarna moet ik op zoek naar een alternatief. Ik durf best te wedden dat dat bestaat, alleen ik ken het nog niet. Iemand tips?

Voor de liefhebbers…