Maandelijks archief: februari 2014

The Zombies Are Coming.

Standaard

Wanneer ik dit schrijf heb ik uitzicht op mijn  buren, de 250 koeien van de melkveehouder van wie wij ons huisje huren. Dat huisje is een oud boerderijtje waar de beste man is opgegroeid. Om ons heen is veld, heel veel veld. Glooiende heuvels, en als je een eindje de weg afloopt richting de boerderij van de zoon van de melkveehouder, die net als twee van zijn andere kinderen in de buurt woont, zie je Mount Taranaki, een vulkaan.

Louie, die hem ‘Vulkano’ noemt is  er erg van onder de indruk. Hij heeft in het Te Papa museum in Wellington namelijk een film gezien van een uitbarstende vulkaan, vandaar. ‘Maar deze ploft niet’, zegt hij dan (dat hebben we ook maar even duidelijk gemaakt). Het enige geluid dat je hoort hier is dat van de koeien die loeien, proesten en snuiven, en dat van een incidentele vrachtwagen, jeep of tractor op de smalle landweg (waar je honderd mag, en waar ik de kinderen dus NIET rustig op kan laten fietsen) of de quad van de boer en boerin, waar ze mee door de weilanden scheuren om de koeien te vangen.

Toen wij voor het eerst door het dorpje Patea reden, waar manlief de komende twee weken de kost verdient in het plaatselijke medical centre, dachten we dat het hier volledig failliet was. De sfeer leek ons niet al te best. Totdat we op maandagochtend met ons hele hebben & houwen voor de deur stonden. Er was ons dat weekend al een huis ter beschikking gesteld, maar door een incidentje kregen we niet te horen waar dit dan wel was, en we brachten – na een lang weekend kamperen dat we wel gepland hadden- de nacht door in een motel dertig kilometer verderop. We werden door het voltallige personeel zo hartelijk welkom geheten, kregen koffie in de hand gedrukt en er werd veel gelachen – ja het was echt het spreekwoordelijke warme bad.

Als echte citygirl had ik zo mijn bedenkingen, wat ging ik hier in godsnaam doen de hele dag?! Maar nu ik hier op mijn veranda zit….hoef ik er eigenlijk niet meer af. Het dorp is tien kilometer verderop, ik passeer er zo ongeveer dagelijks voor een boodschapje hier en daar. Naast de Four-Square supermarkt is er de slager en de drogist en er is zelfs een goedlopend coffeehouse, voilà wat wil een mens nog meer. Iedereen is supervriendelijk en loopt naar goede Nieuw- Zeelandse gewoonte op blote voeten.

Ik heb hier meer aanloop van de buren dan ik had in ons vorige stekje en we zijn zojuist op de thee uitgenodigd. Er blijkt zelfs een Playcentre waar ik komende woensdag eens een kijkje ga nemen met de kinderen, al vermaken die zich zo ook al. Een hoopje zand en steentjes bij de voordeur heeft al gezorgd voor eindeloos vermaak en ze kunnen hier crossen met hun fietsjes.

Ik geniet van de ongecompliceerdheid, en van de vrijheid die de kinderen hier hebben en het feit dat ik er dus niet heel de tijd als een politieagent achter aan hoef te zitten. Niet dat ik nu zeg, ‘ik hoef niet meer weg’. Voor de langere termijn is het denk ik wel iets te eentonig qua bestaan hier. Sportclubs, jeugdhuizen, bioscopen of de scouting kennen ze hier niet en de locale pub is gesloten. Er is zelfs geen fish ’n chips shop, daar moet je dertig kilometer voor rijden.

We verlieten Wellington met pijn in het hart maar ik ben inmiddels dus wel aangenaam verrast. Zoals wel vaker, blijken de onverwachte paden weer eens boeiender dan de geijkte en ik zal dit onthouden vooraleer we nog eens door al die op het eerste gezicht verlaten stadjes rijden- waar blijkbaar toch altijd wel een heel verhaal achter schuilgaat.

Er is alleen een nadeel: mijn romantische House-On -The-Prairie gevoel is wreed verstoord door teveel afleveringen ‘Walking Dead’ en een man die graag zombies imiteert, zodat mijn uitzicht over het land vertroebeld wordt door het idee dat er ieder moment een paar zichzelf voortslepende, rottende ondoden in het zicht kunnen komen, en de echtgenoot de rust al een aantal keren heeft verstoord door me onnozel te laten schrikken door vanachter de deur of het raam grommende gorgelgeluiden te maken of- en dat was de sterkste- zich door de gang voort te slepen (zoals de zombies dat doen) terwijl ik helemaal niet door had dat hij al thuis was, waardoor ik me te pletter schrok. Ook een avondwandeling in de valleien tussen de heuvels waar de zon het eerst verdwijnt, is bij lange na niet ontspannen. Ik was in no time thuis, want bij ieder geluidje (vogeltjes) moest ik me bedwingen het op een lopen te zetten. Geloof me, ik verveel me hier niet.

AfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeelding

Advertenties

Pony’s en Treinen

Standaard

Ik ben in mijn jeugd drie keer in een pretpark geweest. De Efteling, Steinerbos en Ponypark Slagharen, zoals het toen nog heette. Maar dat bleek op dat moment gesloten. Dat we er toch nog een hele middag zijn gebleven, dank ik aan het congres dat mijn vader er in de buurt had, en het geduld van mijn moeder. In de wei naast het park stonden namelijk alle pony’s te genieten van hun dag vrijaf, en zo bracht ik innig tevreden mijn middag door met het gras voeren en aaien van de beesten, terwijl mijn moeder op een bankje zat.

In Steinerbos in Limburg  heb ik de hele druilerige middag lang rondjes gereden op een dikke Fjordenpony, intens gelukkig, terwijl mijn ouders in de cafetaria koffie dronken. Dat er ook nog andere attracties waren kon mij niks schelen. Je kon er paardrijden, hallo! Later gaf ik ook al mijn zakgeld uit aan ritjes op kermispony’s, wat wel eens leidde tot een incidentele galop als zo’n beest er genoeg van kreeg en terug rende naar zijn vriendjes die wel al hooi stonden te eten. Dan was mijn dag compleet.

Ik was dus zeg maar, een beetje bezeten door paarden. Het is allemaal wat gekalmeerd toen ik op les mocht en me niet in allerlei bochten moest wringen om eens op een paard te mogen zitten – mijn ouders vonden me tot mijn tiende te jong- maar het heeft wel lang geduurd tot bij mij de overtuiging er in wilde dat je géén paard kon hebben in je tuinhuisje, ook geen heel kleintje.

Mijn zoontje heeft dit dus met treinen. Hier in Nieuw -Zeeland heb je er nogal wat. Het is zo’n beetje het weinige cultureel erfgoed dat ze er hebben, dus in ieder zichzelf respecterende grotere gemeenschap vindt je wel een miniature railway in de speeltuin, vaak gerund door een groep vrijwilligers of de plaatselijke Lions Club.

Een paar weken terug hoopten wij Louie zo’n treintje, dat hij alleen kent van youtube-filmpjes, te laten zien, wellicht kon hij er dan ook een ritje op maken. Helaas reed het ding maar twee zondagen per maand en dit was nou net niet zo’n zondag. Louie liet er geen traan om, maar vermaakte zich in plaats daarvan een hele poos lang op het spoor, een locomotief imiterend. Zielsgelukkig. Een rit in een echte locomotief, van een ander, plaatselijk spoorwegmuseum, overdonderde hem zo, dat hij alleen maar grote ogen kon opzetten.

Tijdens lange autoritten vlieg je meestal een paar keer uit je stoel van een plotselinge uitroep als: ‘Een spoor!!!’ of ‘Een trein!!!’ Ook kan zoontjelief tijdens zo’n rit, als hij eenmaal een spoor heeft ontwaard, vragen: “Waar is nou het spoor? Wanneer komt de trein?” Waar we dan maar geduldig antwoord op blijven geven. “Daar in het veld,” of “Blijf maar kijken dan zie je er misschien weer een!” Wat hem dan meestal voor een paar seconden tevreden stelt. Afgelopen weekend reden we voorbij een tot restaurant omgetoverde wagon, en we beloofden hem dat we er de volgende dag zouden ontbijten. Daar heeft ‘ie ons zo’n beetje iedere tien minuten aan herinnerd. “Gaan we naar de wagon? Waar is de wagon? Waar is de wagon mama? De wagon, waar is die?”

Zelfs onze dochter is al helemaal geconditioneerd om ‘Toettoet!’ te roepen als ze een trein ziet, of wanneer Louie ” Kijk een spoor!” roept, en vliegt dan rechtop in haar zeteltje, terwijl ze dan vaak net op het punt stond in slaap te vallen. Ze is dol op haar broertje en doet hem natuurlijk na, al grijpt ze, zonder dat wij daar ooit enige invloed op hebben uitgeoefend, ook naar poppen en knuffels waar haar broer die laat liggen. Haar grootste passie tot nu toe is het geleende driewielertje van de buren hier, melkveehouders van wie wij een huisje lenen dat op hun land staat, en steentjes,waar ze graag in graaft. En insecten natuurlijk. Ook de koeien heeft ze ontdekt. “Moe!” Doet ze dan.

Maar een van haar eerste andere woordjes naast ‘papa’ en ‘mama’ enzo,  zo ontdekte ik blij verrast een aantal maanden geleden al, was ‘paardje’. ‘Paaaahhdje’ en dan wijst ze met een priemend vingertje. Echte paarden vind ze nog te eng; toen wij laatst kampeerden op een plek waar paarden graasden in de wei naast ons, en een van de beesten eens beleefd kwam snuffelen of er wat te halen viel, en ik haar wilde laten zien hoe je hem over zijn neus kon strelen, gilde ze het uit. Maar zo’n beest heeft voor een kind van anderhalf natuurlijk de afmetingen van een dinosaurus, dus dat valt te begrijpen. Op het elektrisch hobbelpaard in de coffeeshop waar ik tot voor kort iedere dag naartoe ging -we zijn nu inmiddels weer verkast- zat ze als een volleerde rodeorijdster, een hand op de zadelknop en de andere los wuivend. Dat belooft.

Het gaan vermoeiende jaren worden: iedere dag de vraag ‘Wanneer mag  ik nou een pony?’ ‘Waarom niet?’ ‘Mag ik op paardrijles?’ ‘Wanneer dan?’ of uitleggen dat je een trein, die als museumstuk geparkeerd staat in een park (zoals in Zweden, waar Louie zijn geluk niet op kon en elke dag dat we er waren met ‘de locomotief  wilde spelen’) niet mee naar huis kunt nemen.

Maar waar ik me enerzijds afvraag of ik mijn kinderen niet toch stiekem geconditioneerd heb, kan ik me er van de andere kant niet genoeg op verheugen ze tegemoet te komen in hun kleine obsessies. We hebben gehoord dat hier in de buurt ook zo’n miniatuurspoor is en, als Anna wil, mag ze binnenkort ook best op een pony. Ik heb er echt niks mee te maken hoor, echt niet.

AfbeeldingAfbeelding