Categorie archief: de kinderen…

Sinterklaas,wie kent hem niet.

Standaard

Ik heb niets met Sinterklaas. Ik kan er niks aan doen. Er zijn families die er hele spelletjesavonden aan wijden, anderen maken knotsgekke surprises. Maar ik denk dat het hele gedoe gewoon aan me voorbij is gegaan sinds ik op mijn negende het vieren van ‘Kerst met Cadeaus van de Kerstman’ ontdekte, toen een Australische uitwisselingsstudente een tijdje bij ons woonde en dit fenomeen introduceerde. En ik vond het eigenlijk veel leuker. Heiligmannen hebben tegenwoordig ook geen al te beste reputatie.

Ooit, in een ver verleden, geloofde ik natuurlijk. Zo hard mogelijk liedjes brullen in de schoorsteen opdat Sinterklaas het maar zou horen. Een bakje water en een wortel klaarzetten voor het paard. Het kwam geen seconde in me op dat je zo’n beest onmogelijk door een schoorsteen kunt proppen, laat staan dat ik me afvroeg hoe een stokoude vent met een baard een zak cadeaus en een schimmel het dak op kreeg. Zo omslachtig ook, als je erover nadenkt. En vreemd, dat er op vijf december ’s avonds heel hard op de deur werd geklopt -gebonkt- zeg maar, en er een mand met cadeautjes gewoon in de gang stond. Een wasmand was dat trouwens, die verdacht veel op de onze leek.
Dat zwarte piet pikzwart moest met een pruik op en een clownspak aan, heeft volgens mij alles te maken met het feit dat de buurman/gekke oom/ oudere kinderen uit de buurt zich op de een of andere manier toch onherkenbaar moesten maken. Ieder jaar was het bij de oma van een vriendinnetje groot feest want de Sint kwam, en er was iets met de hoofdpiet – en sommige jaren ook de Sint- wat me ongelofelijk bekend voorkwam maar ik kon het nooit plaatsen. Dat wilde ik ook niet.
Je jonge jaren zijn het tijdperk van de fantasie, het feit dat iets niet kan -monsters onder het bed, een oude man op een paard op het dak- dat wil er gewoon niet in. De meesten vonden de Sint wel een enge vent.
Dan moest je bij hem op schoot komen zitten en hij wist zogezegd alles. Kreeg je op je kop omdat hij ook gezien had dat je ’s ochtends vroeg, als je ouders nog sliepen, snoep pikte uit de keukenlade? De dag dat iemand mij vertelde dat Sinterklaas niet bestond, ik weet het nog goed, het was door een jongen uit mijn klas, was echter geen ontgoocheling voor me. Ergens wist ik het wel, natuurlijk, en alle puzzelstukjes over pieten en sinten die beurtelings -het verschilde per jaar -eigenlijk toch wel verdacht veel weg hadden van de vader van het vriendinnetje, vielen op hun plek. De zwarte vegen op de briefjes van Sint, die hij toch écht door de schoorsteen had gebracht bij m’n cadeautje? Dat was dankzij de creativiteit van  mijn vader, die gewoon de roet er zelf op smeerde. O ja, het was ook zijn handschrift.
De magie van Sint verdween. En dat was wel jammer.
Nu heb ik zelf kinderen. Vorig jaar om deze tijd zaten we in het buitenland. Daar vieren ze geen Sinterklaas. We hebben het geprobeerd, maar de kinderen beseften in de eerste plaats al niet echt wat het inhield, en ten tweede leek het hele feest zo uit zijn context gerukt dat het niet echt ergens op sloeg. Louie en Anna kregen cadeaus bij de kachel. Buiten was het vijfentwintig graden en zonnig. Ze hadden geen pepernoten en Louie ging gillen als ik ook maar probeerde een ‘zie ginds komt de stoomboot’ (dat had gekund, ook nog) in te zetten. Ja ja, je wil er toch wat cultureel erfgoed in rammen. De stemming kwam er dus niet echt in, al maakte dat de kinderen niets uit want die hadden hun cadeautje. Ik had het idee dat ik voorgoed mijn feeling met het Sinterklaasfeest kwijt was.

Maar: dit jaar zijn we weer in België en daar komt de Sint wel. Op school wordt er aandacht aan besteed en natuurlijk willen we voor onze bloedjes het spelletje wel meespelen. Toegegeven, als een malloot pepernoten en snoep door de gang smijt is best lachen, of aan tafel heel de tijd zeggen: “Wat is dat? Hoorde je dat? Ik dacht echt dat ik iets op het dak hoorde!” Tegenwoordig doet ook het dreigement ‘Pas op hoor, want Sinterklaas ziet dat!’, het vrij aardig, als ze speelgoed niet opruimen of zitten te knoeien met hun eten. Bij Anna trouwens niet, want die snapt niet wat ‘Sinterklaas’ is. Het woord ‘cadeautjes’ begrijpt ze maar al te goed, dat wel, net als ‘chocolaatjes’, sinds ze voor het eerst een chocoladebeest in haar schoen kreeg.
Met een bezoekje aan of van Sint weet ik het ook niet zo. Louie heeft het tegenwoordig niet op vreemde mensen “ik ben verlegen” zegt hij dan (dat is dan vaak nadat hij tegen de betreffende vreemde eerst “Jij moet weg!” heeft geroepen). Anna gaat door een fase van verlatingsangst en zegt dat ze ‘bang heeft voor de mensen’. Dus wellicht gaat er nog een jaar aan ons voorbij- apart van de cadeaus en het ze doen geloven dat die door de schoorsteen zijn gebracht door een oude meneer met een muts en een lange baard en een goedlachse helper met een tintje -of geen- wat het ook mag zijn dit jaar. Dat laat ik maar in het midden.
Ik hoop in ieder geval dat ik weer een beetje mee kan met het verhaal, en ze een aantal jaren een onschuldige fantasie kan laten beleven, alsof ze echt bestaat.

IMG_3141

Advertenties

Pony’s en Treinen

Standaard

Ik ben in mijn jeugd drie keer in een pretpark geweest. De Efteling, Steinerbos en Ponypark Slagharen, zoals het toen nog heette. Maar dat bleek op dat moment gesloten. Dat we er toch nog een hele middag zijn gebleven, dank ik aan het congres dat mijn vader er in de buurt had, en het geduld van mijn moeder. In de wei naast het park stonden namelijk alle pony’s te genieten van hun dag vrijaf, en zo bracht ik innig tevreden mijn middag door met het gras voeren en aaien van de beesten, terwijl mijn moeder op een bankje zat.

In Steinerbos in Limburg  heb ik de hele druilerige middag lang rondjes gereden op een dikke Fjordenpony, intens gelukkig, terwijl mijn ouders in de cafetaria koffie dronken. Dat er ook nog andere attracties waren kon mij niks schelen. Je kon er paardrijden, hallo! Later gaf ik ook al mijn zakgeld uit aan ritjes op kermispony’s, wat wel eens leidde tot een incidentele galop als zo’n beest er genoeg van kreeg en terug rende naar zijn vriendjes die wel al hooi stonden te eten. Dan was mijn dag compleet.

Ik was dus zeg maar, een beetje bezeten door paarden. Het is allemaal wat gekalmeerd toen ik op les mocht en me niet in allerlei bochten moest wringen om eens op een paard te mogen zitten – mijn ouders vonden me tot mijn tiende te jong- maar het heeft wel lang geduurd tot bij mij de overtuiging er in wilde dat je géén paard kon hebben in je tuinhuisje, ook geen heel kleintje.

Mijn zoontje heeft dit dus met treinen. Hier in Nieuw -Zeeland heb je er nogal wat. Het is zo’n beetje het weinige cultureel erfgoed dat ze er hebben, dus in ieder zichzelf respecterende grotere gemeenschap vindt je wel een miniature railway in de speeltuin, vaak gerund door een groep vrijwilligers of de plaatselijke Lions Club.

Een paar weken terug hoopten wij Louie zo’n treintje, dat hij alleen kent van youtube-filmpjes, te laten zien, wellicht kon hij er dan ook een ritje op maken. Helaas reed het ding maar twee zondagen per maand en dit was nou net niet zo’n zondag. Louie liet er geen traan om, maar vermaakte zich in plaats daarvan een hele poos lang op het spoor, een locomotief imiterend. Zielsgelukkig. Een rit in een echte locomotief, van een ander, plaatselijk spoorwegmuseum, overdonderde hem zo, dat hij alleen maar grote ogen kon opzetten.

Tijdens lange autoritten vlieg je meestal een paar keer uit je stoel van een plotselinge uitroep als: ‘Een spoor!!!’ of ‘Een trein!!!’ Ook kan zoontjelief tijdens zo’n rit, als hij eenmaal een spoor heeft ontwaard, vragen: “Waar is nou het spoor? Wanneer komt de trein?” Waar we dan maar geduldig antwoord op blijven geven. “Daar in het veld,” of “Blijf maar kijken dan zie je er misschien weer een!” Wat hem dan meestal voor een paar seconden tevreden stelt. Afgelopen weekend reden we voorbij een tot restaurant omgetoverde wagon, en we beloofden hem dat we er de volgende dag zouden ontbijten. Daar heeft ‘ie ons zo’n beetje iedere tien minuten aan herinnerd. “Gaan we naar de wagon? Waar is de wagon? Waar is de wagon mama? De wagon, waar is die?”

Zelfs onze dochter is al helemaal geconditioneerd om ‘Toettoet!’ te roepen als ze een trein ziet, of wanneer Louie ” Kijk een spoor!” roept, en vliegt dan rechtop in haar zeteltje, terwijl ze dan vaak net op het punt stond in slaap te vallen. Ze is dol op haar broertje en doet hem natuurlijk na, al grijpt ze, zonder dat wij daar ooit enige invloed op hebben uitgeoefend, ook naar poppen en knuffels waar haar broer die laat liggen. Haar grootste passie tot nu toe is het geleende driewielertje van de buren hier, melkveehouders van wie wij een huisje lenen dat op hun land staat, en steentjes,waar ze graag in graaft. En insecten natuurlijk. Ook de koeien heeft ze ontdekt. “Moe!” Doet ze dan.

Maar een van haar eerste andere woordjes naast ‘papa’ en ‘mama’ enzo,  zo ontdekte ik blij verrast een aantal maanden geleden al, was ‘paardje’. ‘Paaaahhdje’ en dan wijst ze met een priemend vingertje. Echte paarden vind ze nog te eng; toen wij laatst kampeerden op een plek waar paarden graasden in de wei naast ons, en een van de beesten eens beleefd kwam snuffelen of er wat te halen viel, en ik haar wilde laten zien hoe je hem over zijn neus kon strelen, gilde ze het uit. Maar zo’n beest heeft voor een kind van anderhalf natuurlijk de afmetingen van een dinosaurus, dus dat valt te begrijpen. Op het elektrisch hobbelpaard in de coffeeshop waar ik tot voor kort iedere dag naartoe ging -we zijn nu inmiddels weer verkast- zat ze als een volleerde rodeorijdster, een hand op de zadelknop en de andere los wuivend. Dat belooft.

Het gaan vermoeiende jaren worden: iedere dag de vraag ‘Wanneer mag  ik nou een pony?’ ‘Waarom niet?’ ‘Mag ik op paardrijles?’ ‘Wanneer dan?’ of uitleggen dat je een trein, die als museumstuk geparkeerd staat in een park (zoals in Zweden, waar Louie zijn geluk niet op kon en elke dag dat we er waren met ‘de locomotief  wilde spelen’) niet mee naar huis kunt nemen.

Maar waar ik me enerzijds afvraag of ik mijn kinderen niet toch stiekem geconditioneerd heb, kan ik me er van de andere kant niet genoeg op verheugen ze tegemoet te komen in hun kleine obsessies. We hebben gehoord dat hier in de buurt ook zo’n miniatuurspoor is en, als Anna wil, mag ze binnenkort ook best op een pony. Ik heb er echt niks mee te maken hoor, echt niet.

AfbeeldingAfbeelding

Stuk

Standaard

“Hee wat ligt daar?” “Oh kijk, Louie een meikever!” Verbaasd kijkt ie me aan. We staan op de stoep vlakbij huis, op weg naar het park. Helaas heeft ’t beestje zo te zien al even geleden de geest gegeven, zijn schildje knapperig geworden door de zon, de pootjes ingetrokken. Louie buigt zich erover, en port er wat tegen. “Kom maar jongen, laat maar liggen. Hij doet ’t niet meer, hij is stuk.”  Hij trekt nu een lipje en zet het op een brullen: “Maahaaken!” gilt hij. Want wat stuk is, moet gemaakt. Daar is hij heel stellig in. Boterhammen of bananen die in twee liggen worden niet opgegeten tenzij we ze ‘maken’ (echt, begin er maar eens aan) het zelfde geldt voor waterijsjes (nog zoiets). Zodra de treinrails van zijn spoorbaan loslaat worden we er met een luide brul bij geroepen, een bevel tot herstel. Het kost ons eindeloze hoeveelheid geduld uit te leggen, dat je sommige dingen niet kunt maken, of dat hij sommige dingen ook best zelf weer in elkaar kan zetten, en dat het sneller gaat als je er niet bij schreeuwt en stampvoet. Ik leer hem nu tot tien tellen, als hij weer eens gefrustreerd raakt.

De kindergeest is een interessant fenomeen. Er gebeurt zoveel in dat kleine koppie. Onze jongen stopt opeens  niet meer met praten. Er is veel dat hij nog niet begrijpt: “Framboosjes, mama?” “Ga maar aan papa vragen. Die is in de tuin, bij de frambozen.” “Papa! Vrágen!” Waarna papa mag gaan uitvinden wat de kleine man dan wel wilde.”Wat dan?” “Vrágen!” “Ja maar, wat dan?” Een conversatie die op een steeds ongeduldiger toon gevoerd wordt. Nieuwste in de serie is: ‘Mama wat is dat?’ Mamawatisdatmamawatisdatmamawatisdatmamawatisdaaat?” Klinkt het heel de dag. Soms zijn de antwoorden heel voor de hand liggend: de vuilniskar, het zwembad, een vliegtuig, de maan. En soms weet je niet waar hij op doelt. Geluiden in de verte, bijvoorbeeld. Of iets op straat in het algemeen. Dan wordt het een soort eenzijdige ‘hints’  zonder gebaren: “De stoep, een brievenbus, het gras, een vogel?” “Neehee. Auto’s, mama.”
Het is, kortom, soms best wel vermoeiend.
Daarbij denken  wij al een poosje dat hij  hypersensitief is. Met alles wat ik erover lees weet ik zeker (en ook zonder die informatie trouwens), dat zijn ouders het ook zijn, maar daar hoorde je vroeger nooit iemand over. Mijn vader kan nu nog vertellen hoe ik als kleuter bij de ene uitzonderlijke ruzie die mijn ouders hadden ik van ellende onder tafel kroop. Het is blijkbaar erfelijk, niks om je zorgen over te maken. Daarbij  is het een trenddingetje waar ik een beetje mee wil oppassen, omdat er bij al die aandoeningen als  nieuwetijdskinderen, hoogbegaafdheid en adhd vaak een soort schemergebied lijkt te bestaan tussen kinderen die daadwerkelijk iets mankeren en ouders of leraren die bepaald gedrag iets te gauw labelen als zijnde een of andere aandoening terwijl het net zo goed om druk gedrag, een dromer of gewoon een slim kind kan gaan. En gevoelig, tsja….
Louie is sensitief in zo’n beetje alles, hetgeen gepaard gaat met een dramatische expressie die zijn effect niet mist. Heel de dag roept hij uit “Oh nee!” “Oooohhh neeeee!” Het kan gaan om zijn treintje dat ontspoord is van de houten rails en wat hij er in de gauwigheid niet zomaar op krijgt, maar ook: druppels gemorst ijs, een stukje blad of steen in zijn schoen, een hagelslagje dat van de boterham valt, en vroeger was het vaak een aankondiging dat we ergens een drol op het tapijt gingen vinden, maar -hoera!- dit heeft hij inmiddels onder controle. Hoe dan ook schieten wij meteen in de alarm-modus als dat hoge stemmetje weerklinkt, om dan met een zucht te constateren dat bijvoorbeeld zijn plakje worst van de boterham gevallen is.
Onlangs klonk het ‘oh nee’ weer, ditmaal vanuit zijn slaapkamertje. Het was warm, en Louie was wakker geworden. Badend in het zweet. Of hij een nieuw t-shirt mocht. En een nieuw kussensloop. En een een nieuw laken. Want wat er al lag was níet hetzelfde als de nu verse kussenhoes: een dino-sloop met een auto-laken, ja dat kon dus niet.

Maar ja, dan hoor ik andere ouders. Bij de ene peuter krijgen ze geen millimeter fruit naar binnen. De ander wil persé niet op het zand of gras zitten. Ook gehoord: een kind dat geen nieuwe toiletpapiertjes meer wilde gebruiken waar een scheurtje in zat. Ze hebben ‘t  dus allemaal!
Wie weet is het gewoon een Pietje Precies. En kleine kinderen (mensen?) zitten nou eenmaal vol eigenaardigheden. Zou het niet zorgelijker zijn als ze die totaal niet hadden?

louieentram

De Opschepmoeder

Afbeelding

Eenmaal moeder duurt het niet lang of je komt in contact met andere moeders. Meestal is dat leuk. Een praatje maken, gegeneerd lachend toezien hoe de kindertjes elkaar van het trapje van de glijbaan of de schommel proberen weg te duwen of elkaar speelgoed/snacks afhandig maken, waardoor het gesprek minstens een keer of twintig onderbroken dient te worden om de boel te sussen. Het schept een band en niemand stoort zich aan elkaar want we weten hoe ze nou eenmaal zijn, die kleine rakkers.

Gezeten op de houten rand van de zandbak maak je er heel wat mee: kordate moeders, bloemetjesjurkmoeders, oma’s, strenge moeders en altijd-blije- moeders (die heel hard mee doen op het klimrek). Maar onlangs had ik er een van het soort dat je liever mijdt: de opschepmoeder. Het gebeurde toen Louie een klasgenootje op de schommel ontdekte en blij haar naam uitriep. De betreffende mama stond er naast en we moesten lachen. Ik had haar nog nooit gezien. Hoe mijn zoon het deed op school? Ja, goed wel antwoordde ik, geen zin om er echt op in te gaan. Ik denk dat ik de bui ergens al voelde hangen.

‘Nou, ons Klaar* doet het geweldig, zo behulpzaam en lief altijd. Maar owee, als ze de deugniet uit wil hangen, berg je dan maar, een echte persoonlijkheid hoor!’ Begon ze. Ik knikte. ‘Ja, dat had die van mij natuurlijk ook. ‘Geen avontuurlijke hè, die?’, gebaarde ze naar Louie, die op en neer door het zand rende en de klimtoestellen volledig negeerde. ‘Tsja ons Klaartje zit al daarboven!’ wees ze achter ons naar een hoge toren met een steile trap naar boven.’Een durfal is ze.’ Inwendig kreunde ik. Ik was met mijn kindertjes naar de speeltuin gegaan omdat de zon scheen. Dat we er doorgaans zo’n vier keer per week komen en dat mijn zoon het daarom soms wel gezien heeft, zie ik soms over het hoofd. Omdat ik het idee heb dat het goed is voor kinderen, naar de speeltuin. Maar nu wilde mijn zoon op zijn eigen manier wat spelen, en deze moeder probeerde mijn middag te vergallen door overduidelijk de competitie aan te gaan over haar o zo fantastische dochter.

Dus, om de strijd af te kappen antwoordde ik gedecideerd dat mijn zoon al die klimrekken al heel vaak op en af geweest was en dat hij er daarom gewoon geen zin in had. Ondertussen schepte mijn dochter, die als een gemoedelijk boeddha’tje in het zand zat, handen vol van het spul naar binnen. Terwijl ik dit probeerde te verhinderen, bleef ze het met een starre blik in haar ogen opnieuw doen, als om te bewijzen dat de volgende hap mogelijk wél hartstikke lekker zou smaken. In tegenstelling tot iedere voorgaande, die langs haar mondhoeken weer naar buiten droop. Terwijl ik mijn aandacht moest verdelen tussen een zand etend kind en mijn zoon die er inmiddels mee naar zijn zus gooide, begon de opschepmoe nu, met een fronsende blik richting mijn baldadig jongetje (dat zou haar Klaartje vast nooooit doen) over de fantastische fietscapaciteiten van haar kind,  die haar loopfietsje verveeld even oppakte en na twee tellen alweer aan de kant gooide.

Tsja en wat moest ik? ik kon alleen maar zeggen dat Louie nog niet fietste. Het gespreksonderwerp kwam nu naar me toe omdat hij in een paal wilde klimmen en ik moest helpen. We gingen er zo hard in op dat ik de moeder van superkid eindelijk kon afschudden. Ik weet niet of ze de onuitgesproken boodschap ‘ik heb geen zin in dit gesprek’ had begrepen of dat ze wellicht opgaf omdat ze medelijden met me had, die vrouw met dat kind dat in haar ogen vast niks kon of durfde. Hoe hij zijn fantasie gebruikt en treinen ziet in blokken op een rij, dat hij tot tien kan tellen en de letters van zijn naam kent (ik zal dan ook eens een beetje opscheppen) en heus wel kan fietsen, maar het gewoon niet wil zolang wij er om zeuren, zijn dingen die zij nou eenmaal niet weet. Dat ik daardoor zo langzamerhand een meester ben in het omgekeerd psychologisch denken ook niet. Stiekem vroeg ik mij af of ik hem niet beter toch verdedigd had, door al die dingen alsnog te zeggen. Maar Klaartje en haar moeder waren verdwenen. Wij gingen ijsjes halen.

*niet haar echte naam

5c54de4f-3a4d-4742-9d18-2d26b153633c

Birthday boy

Standaard

Ik herinner me een moment drie jaar geleden, toen we na een half uur worstelen met de Maxi-Cosi en de autogordel de parkeergarage van het ziekenhuis uitreden, en werden bedolven onder een regen van bloesemblaadjes (en denkbeeldige vioolmuziek). Als om onze kersverse baby welkom te heten in de wijde wereld.

Een van de vele romantische momentjes die in schril contrast staan met de woedende peuter die nu het huishouden domineert. Even ter nuance: het is niet zo dat wij een permanent nukkig kind hebben. Hij is ook nog steeds lief en gezellig en heel erg enthousiast. Maar laatste tijd echter bereikten de driftaanvallen een soort van piek.

Ik was dan ook even perplex toen ik Louie, tussen al het ‘nee’ ‘niet!’ en ‘saai’ opeens ‘tof’ hoorde zeggen. De eerste keer dacht ik dat ik het niet goed had verstaan. Ik zei zoiets als: ‘Wat een mooie auto hè?’ en hij zei: ‘Tof!’ Maar onlangs wees ik hem, tijdens een educatief momentje in het park, de blaadjes in de beukenhaag aan. ‘Kijk, Louie, nieuwe blaadjes, het is lente!’ Waarop hij vrolijk reageerde: ‘Dat is tof hè, mama?’ Ik had het dus écht goed gehoord.

Toen ging hij ervandoor in zijn typische dribbelpasje, een eekhoorn achterna die tussen de grote bomen scharrelde, mij in verbazing achterlatend, zowel wat betreft zijn humeur als zijn plotselinge spraakontwikkeling. Zijn zonnige stemming hield een paar dagen aan en ik dacht dus: die is erdoor, vanaf nu kan ik weer normaal naar de winkel, het zwembad, of hem laten spelen met de auto’s van andere kinderen zonder dat ik wegga met een krijsend kind onder mijn armen. Gaat hij braaf met twee woorden spreken en wordt er niet meer tegengestribbeld bij zo’n beetje alles wat ik voorstel.

Die gedachte kwam op omdat mijn schoonmoeder zei: ‘Eens ze drie zijn, is het voorbij met de kuren.’ Ze heeft vier zoons, ze moet dus wel gelijk hebben. Maar ik ben blijkbaar  te vroeg gaan hopen. Want de verandering was van korte duur: een paar dagen na het voorval was het weer heel de tijd van: ‘Nee, niet! Of: ‘Nee, dat dacht ik niet hoor,’ (maar ook in volzinnen blijft het tegenstribbelen) werd er weer gejengeld en moest ik onderhandelen over het potje. In het kwadraat, alsof hij de schade in wilde halen. ik zal dus nog moeten wachten. Ook al is hij nu drie jaar. ‘En drie pakjes,’ zegt hij steeds, want dat heeft zijn opa uit Nederland beloofd. Die komt zaterdag. Dat is nog zoiets: hij begint dingen te onthouden. Ja, de kleine meneer maakt sprongen. Grote en dwarse.

Afbeelding

Baby McGyver

Standaard

Afbeelding

Het is weer de fase van uitkijken waar ik loop en wensen dat ik ogen op m’n rug heb. Of misschien van die facetogen, zoals een bromvlieg of spin ofzo. Dochter is nu al geen poppenmoedertje. Braaf ergens blijven zitten spelen met een paar blokjes: no way. Anna is een dolle puppy die van alles in haar mond propt en er dan in een sneltreinvaart op handen en voeten mee vandoor gaat. Soms gaat ze voor je zitten en kijkt je aan met  slof/speelgoed/papier etc. nog in haar mond alsof ze wil dat je het afpakt en ‘apport’ zegt.

Ze ontwikkelt een soort van voorliefde voor een plastic tomaat van de Albert-Heijn keukenmini’s die leuk stuitert-op zich niks mis mee- en stopcontacten. Hoewel die tegenwoordig beveiligd zijn ben ik er toch niet gerust op. Ook kauwt ze graag op speelgoedauto’s en – treinen van broer, tot zijn grote frustratie. En ze probeert te traplopen. Dit ontdekte ik te laat. Omdat ik, sufferd, even snel in een pan ging roeren en toen een bons, gevolgd door luid gekrijs, hoorde en een onderstebovengerolde baby met een bult op haar voorhoofd aan trof bij de onderste tree. Ik zeg het nu wat luchtig, maar allicht stond mijn hart een paar tellen stil en heb ik er nu weer een stel grijze haren bij. Gelukkig viel het allemaal mee.

Louie’s klimambities zijn nog steeds redelijk beperkt, en op de en of andere manier was het makkelijker hem in de gaten te houden toen hij nog rondkroop. Maar Anna is een  kruising tussen een baby-McGyver en Spiderman. Soms denk ik wel eens dat ze stiekem aan het ontwerp van een superkatapult werkt of bedenkt hoe je het best met lakens uit het raam klimt. Ik kan dus momenteel weinig tot niks doen in huis wanneer mevrouw rondscharrelt, tenzij ik haar in de box zet waar ze zich vastgrijpt aan de spijlen en een soort van hiphopdansje doet, in combinatie met boos gejammer omdat ze eruit wil. Heb ik geluk, dan gaat ze braaf spelen.

We moeten erg om haar lachen en zeggen voor de grap dat ze later vast lid wordt van het Super-G skiteam of, inderdaad, Spiderwoman. Maar de kans bestaat natuurlijk dat ze, eens wat ouder, toch om zo’n enge Baby-Born pop vraagt en gewoon in het zand taartjes bakt (Dat leek me zo heerlijk. En ik dan met de picknick er naast. Maar met Louie lukte het niet en mevrouw smeert ‘m ook gewoon). Wat het ook zal zijn, ik laat haar maar, ondertussen brandt het eten aan, blijft de krant ongelezen en in plaats van theetje drinken wil ze apenkooien met mama. Ook prima. En ondertussen probeer ik vooral geen verwachtingen te koesteren.

de overbodige ouder…

Standaard

Kinderen spiegelen je eigen gedrag’ hoor ik wel eens vaker. Dat klopt. Heb ik een rotbui of haast, reken dan maar dat de kindertjes dit haarfijn aanvoelen, en ik getrakteerd wordt op een partij jengelen, languit-op-de grond-werpen, treuzelen en theatraal gedoe. Nu zoon zijn eerste stapjes richting onafhankelijkheid begint te zetten, zie ik de eerste resultaten van onze opvoeding, waarbij ik me natuurlijk constant afvraag ‘of ik het wel goed doe’.

Zoon kakt nog steeds wel eens op het parket, en met de beleefdheidsvormen is nog wat werk. Vraag je, als hij bij de bakker een koekje krijgt: ‘Zeg eens dank u, Louie!’ Dan reageert hij: ‘Dank u Louie.’ Ook bijt hij af en toe zijn zuster flink in haar hand. Hij bedoelt het niet echt slecht, maar beseft gewoon nog niet dat je een ander  pijn kunt doen, iets waar ik hem dus helaas zelf nog aan moet herinneren. Boeken en artikelen over opvoeding komen soms van pas qua bepaalde tips, maar wanneer ik ergens lees dat kinderen tussen twee en vier in staat zouden moeten zijn om de vaatwasser uit te ruimen, realiseer ik me weer dat je ze vooral met een korrel zout moet nemen (al ga ik misschien toch eens proberen of het niet waar kan zijn, van die vaatwasser).

En volgens ‘Oei ik groei’ zou mijn oudste inmiddels als achterlijk bestempeld kunnen worden, omdat hij er geen behoorlijke volzinnen uitgooit. Hij houdt het namelijk liever bij éen kort en krachtig woord, als het even kan. Naast ‘nee’ is ‘saai’ zijn nieuwste favoriet.’Wil je een boterham met confituur?’ ‘Nee, saai!’ ‘Kom, we gaan naar school!’ ‘Nee! Sssaai!’ ‘Wil je dit Pieter-Post filmpje zien?’ ‘Nee, saai!’ ‘Ga je mee wandelen?’ ‘Saaisaaisaaijjj!!’ Op het moment dat ik me afvroeg of het allemaal echt zo vervelend is bij ons thuis, werd ik wat geruster toen ik hem ook ‘saai’ hoorde antwoorden op ‘Geef je opa een dikke knuffel?’ ‘Zullen we je tanden poetsen?’ en ‘Ga je op het potje?’ Eigenlijk op dus zo’n beetje alles, dus hij zal de context ervan niet doorhebben.

Gek genoeg is dat wel het geval bij ‘bang’. Onze man is een schrikachtig ventje. Zodra er iemand de trap af komt bijvoorbeeld, of de kamer binnen, en hij ziet je nog niet, roept hij hard: ‘Bang sijn!’ En racet met een gezichtje in de paniekstand tussen de benen van vader of moeder, of gaat, als dat niet kan, achter de bank staan. En natuurlijk vraag ik me voortdurend af ‘of het allemaal aan mij ligt’. Hij spiegelt het gedrag van zijn ouders, toch? Maar welk gedrag dan? Een moeder vertelde me laatst dat haar kleuterdochter een tijdlang de gewoonte had van alles in plastic zakjes te stoppen. Ook zij  vroeg zich af of er soms iets abnormaals gebeurde binnen het gezin wat ze had gemist.

Wanneer ik op een dag polshoogte kom nemen bij Louie, die met zijn trein speelt in de woonkamer bij mijn vader, blijft hij stuurs voor zich uitkijken terwijl hij zegt: ‘Mama doorlopen’, wat ik licht geschokt ook doe. Tsja. Misschien is het dat: sommige dingen bedenkt ‘ie toch echt zelf. En op een dag gaat hij alles zelf moeten doen, dus ik kan er maar beter aan wennen dat er een soort van initiatief genomen wordt. Laatst las ik ergens een uitspraak van een bekende kinderpsycholoog: ‘Een van de belangrijkste taken van ouders is het zichzelf overbodig maken.’ Ik doe blijkbaar toch iets goed.

Afbeelding