Categorie archief: Not all those who wander are lost…

Terug

Standaard

Over vier dagen vliegen we terug naar België. Onze auto is sinds vorige week verkocht. Ze krijgt een goed thuis, maar ik was aan haar gehecht. Onze Subaru Legacy Lancaster 6 is nu de trouwe dienaar van een gezin dat ergens in een afgelegen dorpje bij een vulkaan woont. Ze gaat veel over gravelwegen moeten rijden, en dat kan ze goed, want fourwheeldrive.

Ach, wellicht is het niet de auto zelf die ik zal missen, maar wel waar ze voor staat. Hoe vaak heeft ze ons niet rondgereden op lange tochten, soms het halve land door? Niet zelden gevuld met een enorme hoeveelheid bagage? Hebben wij niet zelf een keer als een stel idioten over een gravelweg gereden, 15 km ver met een snelheid van 100 km per uur, omdat onze zoon doodziek was geworden en we op een verlaten camping in het Abel Tasman National Park zaten?(Dit hebben we de kopers maar niet verteld). Ze liet ons nooit in de steek.
We zijn begonnen met inpakken en opruimen. Het huisje met de mooie houten vloeren en het lieflijke uitzicht, waar we eigenlijk stiekem óók een beetje aan gehecht raakten, verruilen we voor ons huis in Deurne-Zuid -dat konden we overigens ook moeilijk achterlaten toen we hierheen vertrokken. “Het is ook wel goed,” zei Tom wijs, “Om af en toe afstand te doen van dingen. Omdat, wanneer je je ergens aan hecht er ook voor zorgt dat je jezelf helemaal vast kunt zetten, soms is het fijn dat loslaten ruimte kan scheppen voor iets nieuws.” Dat is waar natuurlijk, maar toch.

En soms gaat het vanzelf, van die veranderingen die zich aankondigen en dan kan ik erg melancholisch worden. Een week of twee geleden namelijk heeft mijn dochter aangegeven dat ze vanaf nu in een groot bed wilde slapen. Dat zei ze niet met zoveel woorden, maar toen ik haar op een dag in het reisbedje wilde tillen, zei ze: “Gjoot bed sjape”. Dus nu sjaapt ze in een gjoot bed. Wel kukelt ze er minstens een keer per nacht uit, op een stel dekens die we naast haar bed hebben gelegd. Vaak slaapt ze daarop gewoon verder, soms jammert ze en dan leggen we haar terug, soms kruipt ze er zelf weer in.

De eerste dag na de eerste nacht hoorden we om een uur of zeven gestommel. Toen ik de deur opendeed, stond Anna erachter met haar konijnenoren op en lieveheersbeestjes -Uggs aan, lief naar me te lachen. “Pap djinke” zei ze en marcheerde de kamer uit voor haar fles melk. Mijn dochter is een ochtendmens.

Ze heeft het sinds kort ook gemunt op de loopfiets van haar broer, een formaat waar ze net te klein voor is, en kan opeens met zo’n ministep steppen. Louie is nu stoer jochie van vier. Ons pantoffelheldje, dat schrik heeft voor bubbelbaden en zingende gymjuffen, bij wie het nachtlampje aan moet maar die nu soms geen kusje meer wil. Tot nu toe heeft hij altijd geweigerd zelf zijn bed uit te komen als ik hem niet kwam halen, maar vanochtend stond ‘ie ineens in de kamer. Als ik vraag of hij een boterham wil, dan zegt hij: “Ikwileenboterhammetpatémetstukjesmeteenvork” Hij weet precies wat hij wil. Hij is nog steeds geobsedeerd door treinen, maar, zo valt ons op, fysiek opeens een stuk handiger. Hij rolt als een gek van duinen, is dol op water en klimt steeds hoger op klimrekken.

Het zijn van die kleine dingen die iets groots betekenen. Het is moeilijk, maar ook fijn ze te zien groter worden. Vooral het laatste half jaar zijn ze zo opgebloeid, onze kinderen. En ik ben er, dankzij wat mama-praatjes in de plaatselijke Playgroup, achter gekomen dat ik niet de enige ben: dat ik het benauwd krijg bij het idee dat ik ze op een dag moet loslaten. Dat ze je vertellen dat ze Australië rond gaan reizen met een rugzak of een baan hebben gevonden in China. Nou ja, de dag na onze thuiskomst wordt Anna twee, dus we hebben nog wel even.
Ik ben wel blij te merken dat je niets vreselijks overkomt wanneer je af en toe het roer gewoon omgooit. Nou ja, gewoon. Ook voor ons was het een proces, niet iets wat we van de een op andere dag gewoon ‘deden’. Toch valt het me op hoe snel je kan wennen aan wonen op een andere plek. Hoeveel geweldige dingen we hebben meegemaakt, leuke mensen die we hebben ontmoet. Hoe snel je in een routine kunt komen, en het opeens lijkt alsof het altijd al zo was. “Mensen blijf je missen,” zei man al. “De plaatsen vaak een stuk minder.”
Wat maakt dat je blijft verlangen naar de mensen die je achterliet, maar ook met weemoed terug kijkt op een fantastische tijd aan de andere kant van de wereld. Heel eerlijk: we zijn hier nog niet klaar, Nieuw Zeeland is gewoon een geweldig land om te wonen. Het leven hier, hoe wij het hebben ervaren, gaan we zeker missen, maar Belgie missen we vanwege vrienden en familie. Een spagaat waar ik wel meer emigranten over hoor, zelfs als ze met volle overtuiging zijn vertrokken uit hun thuisland.

Hoe dan ook is het goed te ervaren dat het leven geen statisch gegeven is, als je wilt kan het veranderlijk zijn, soms onverwacht maar ook door je eigen keuzes. Een beetje kunnen loslaten op zijn tijd is inderdaad goed. We hebben nog een aantal wensen te verwezenlijken, en we verheugen ons erop iedereen thuis terug te zien. Terug naar ons oude nest, maar voor hoe lang? Wie weet. We zeggen gedag, maar trekken de deur niet achter ons dicht. Zelfs al moesten we besluiten toch niet meer terug te komen, dan geeft deze gedachte me meer rust dan het idee dat ik ergens voor zou móeten kiezen. Dag, mooi Hobbitland, dag. Goodbye, for now.IMG_1454

The Zombies Are Coming.

Standaard

Wanneer ik dit schrijf heb ik uitzicht op mijn  buren, de 250 koeien van de melkveehouder van wie wij ons huisje huren. Dat huisje is een oud boerderijtje waar de beste man is opgegroeid. Om ons heen is veld, heel veel veld. Glooiende heuvels, en als je een eindje de weg afloopt richting de boerderij van de zoon van de melkveehouder, die net als twee van zijn andere kinderen in de buurt woont, zie je Mount Taranaki, een vulkaan.

Louie, die hem ‘Vulkano’ noemt is  er erg van onder de indruk. Hij heeft in het Te Papa museum in Wellington namelijk een film gezien van een uitbarstende vulkaan, vandaar. ‘Maar deze ploft niet’, zegt hij dan (dat hebben we ook maar even duidelijk gemaakt). Het enige geluid dat je hoort hier is dat van de koeien die loeien, proesten en snuiven, en dat van een incidentele vrachtwagen, jeep of tractor op de smalle landweg (waar je honderd mag, en waar ik de kinderen dus NIET rustig op kan laten fietsen) of de quad van de boer en boerin, waar ze mee door de weilanden scheuren om de koeien te vangen.

Toen wij voor het eerst door het dorpje Patea reden, waar manlief de komende twee weken de kost verdient in het plaatselijke medical centre, dachten we dat het hier volledig failliet was. De sfeer leek ons niet al te best. Totdat we op maandagochtend met ons hele hebben & houwen voor de deur stonden. Er was ons dat weekend al een huis ter beschikking gesteld, maar door een incidentje kregen we niet te horen waar dit dan wel was, en we brachten – na een lang weekend kamperen dat we wel gepland hadden- de nacht door in een motel dertig kilometer verderop. We werden door het voltallige personeel zo hartelijk welkom geheten, kregen koffie in de hand gedrukt en er werd veel gelachen – ja het was echt het spreekwoordelijke warme bad.

Als echte citygirl had ik zo mijn bedenkingen, wat ging ik hier in godsnaam doen de hele dag?! Maar nu ik hier op mijn veranda zit….hoef ik er eigenlijk niet meer af. Het dorp is tien kilometer verderop, ik passeer er zo ongeveer dagelijks voor een boodschapje hier en daar. Naast de Four-Square supermarkt is er de slager en de drogist en er is zelfs een goedlopend coffeehouse, voilà wat wil een mens nog meer. Iedereen is supervriendelijk en loopt naar goede Nieuw- Zeelandse gewoonte op blote voeten.

Ik heb hier meer aanloop van de buren dan ik had in ons vorige stekje en we zijn zojuist op de thee uitgenodigd. Er blijkt zelfs een Playcentre waar ik komende woensdag eens een kijkje ga nemen met de kinderen, al vermaken die zich zo ook al. Een hoopje zand en steentjes bij de voordeur heeft al gezorgd voor eindeloos vermaak en ze kunnen hier crossen met hun fietsjes.

Ik geniet van de ongecompliceerdheid, en van de vrijheid die de kinderen hier hebben en het feit dat ik er dus niet heel de tijd als een politieagent achter aan hoef te zitten. Niet dat ik nu zeg, ‘ik hoef niet meer weg’. Voor de langere termijn is het denk ik wel iets te eentonig qua bestaan hier. Sportclubs, jeugdhuizen, bioscopen of de scouting kennen ze hier niet en de locale pub is gesloten. Er is zelfs geen fish ’n chips shop, daar moet je dertig kilometer voor rijden.

We verlieten Wellington met pijn in het hart maar ik ben inmiddels dus wel aangenaam verrast. Zoals wel vaker, blijken de onverwachte paden weer eens boeiender dan de geijkte en ik zal dit onthouden vooraleer we nog eens door al die op het eerste gezicht verlaten stadjes rijden- waar blijkbaar toch altijd wel een heel verhaal achter schuilgaat.

Er is alleen een nadeel: mijn romantische House-On -The-Prairie gevoel is wreed verstoord door teveel afleveringen ‘Walking Dead’ en een man die graag zombies imiteert, zodat mijn uitzicht over het land vertroebeld wordt door het idee dat er ieder moment een paar zichzelf voortslepende, rottende ondoden in het zicht kunnen komen, en de echtgenoot de rust al een aantal keren heeft verstoord door me onnozel te laten schrikken door vanachter de deur of het raam grommende gorgelgeluiden te maken of- en dat was de sterkste- zich door de gang voort te slepen (zoals de zombies dat doen) terwijl ik helemaal niet door had dat hij al thuis was, waardoor ik me te pletter schrok. Ook een avondwandeling in de valleien tussen de heuvels waar de zon het eerst verdwijnt, is bij lange na niet ontspannen. Ik was in no time thuis, want bij ieder geluidje (vogeltjes) moest ik me bedwingen het op een lopen te zetten. Geloof me, ik verveel me hier niet.

AfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeelding

Op de camping

Standaard

 Dit weekend was ons eerste experiment ‘kamperen met kleine kinderen’ en togen we naar het plaatsje Napier in de regio Hawkes Bay.”Waarom toch weer moeilijk doen”, hoor ik u denken. We kunnen het niet helpen. Het is sterker dan wij. Maar ja, er komt ook een financieel element bij kijken: wij gaan graag weekendjes weg, willen geen moment onbenut laten hier van het land te genieten, en iedere keer een hotel of B&B boeken voor vier personen kost een vermogen, want Nieuw-Zeeland mag dan wel exotisch en ver weg zijn, het is helaas geen Thailand waar je voor een paar euries een hutje aan het strand huurt.

Onze conclusie: beter nog hadden we een klein busje, dat is minder log dan een camper en je zwiert alles erin, en het scheelt vooral een tent vouwen, wat echt geen luiigheid is hoor, wanneer de kleintjes ronddrentelen en je bang bent dat ze gegrepen worden door loslopende honden, stapvoets rijdende auto’s, verdrinken in de beek of door andermans kookvuurtjes heen walsen met alle gevolgen van dien. De stress van slaapzakken of matjes die het vertikken zich weer in hetzelfde zakje te laten proppen waar je ze ook hebt uit gehaald, hoe secuur je ook vouwt of ontlucht, kun je op die momenten ook missen als kiespijn.

Zeker als je dochter -waarvoor je geen handen vrij hebt om ‘r tegen te houden of een doekje te pakken- met haar jamhandjes, klef van de boterham waar ze al een half uur mee rondloopt, nog even alles op haar weg vastgrijpt: je trui, de tent, de vouwstoeltjes, broer en papa’s broek. Alles komt onder een plakkerige laag te zitten, en dan moet het nog in de auto geladen ook. Maar: kamperen met de kleintjes, het gaat hoor! Prima zelfs. Ze amuseerden zich rot. Rondrennen op het grasveld, klooien met steentjes in de beek, pas slapen als het donker wordt, ’s ochtends vanuit je bed meteen de speeltuin in rennen, mee naar het strand, en naar een heuse waterval. Eens mogen zien hoe de sterren tevoorschijn komen. En buiten, heel de dag buiten.

Ja, er zijn meer uitdagingen natuurlijk. Eten zonder tafel wordt een soort spaghetti- of  tomatensoepestafette. Aangezien er geen kinderstoel aanwezig is om in vastgesnoerd te worden, loopt dochter lekker rond en neemt van iedereen een hapje, roert staand in haar soep of rent rond met een hand vol slierten. Louie kan al best netjes eten, maar niet als hij op de grond zit, hoe hard hij ook probeert, en dan paniekerig uitroept: “Oh nee, gemorst!” Toen er weer een hap noodles naast zijn bord viel, en hij er uit frustratie boos doorheen begon te harken, resulteerde dit er in dat je nergens meer op de grond kon gaan zitten voor de tent zonder kleffe, half gedroogde instant-noodles aan je broek te krijgen, iets waar je natuurlijk altijd achteraf achter komt. Man had een broekspijp vol soep, aangezien het pannetje weliswaar een schenktuitje had maar geen heel erg groot, en er zo een grote golf op de grond terecht kwam, waar hij dan later ook weer per ongeluk op ging zitten.

U denkt: “Jullie uitrusting is misschien wat primitief”. Dat klopt. En op de conclusie: ‘Een klein camperbusje was nog handiger geweest dan onze stationcar’ volgde algauw: ‘We moeten een uitklaptafel/afwasteiltje/tupperware opbergdozen en behoorlijk kookstel aanschaffen’. Maar het punt is dat de auto zo al vol genoeg zit. Wanneer we eind deze maand van Wellington verhuizen naar onze volgende stek, zit de auto zelfs propvol. Er kan nu al geen tupperwaredoos meer bij, helaas. Maar goed, het lukt zo ook wel. Een grasveld is tenslotte geen tapijt, ze zijn dolblij met soep met ballen of pasta (kun je allemaal in één pan klaarmaken) en onze dochter kan er ook niks aan doen dat ze nog zo onhandig is, en op haar weg dwars door alles heenloopt. Zoals de koffiepot , wat ons ochtendritueel wreed verstoorde, of de scheerlijnen, of de net gedane afwas van het plastic kampeerservies (dat hebben we dan weer wel).

Slapen viel, ondanks best luidruchtige buren, ook nogal mee. Natuurlijk betekent slapen in de tent keten; het blijft ook lang licht, muren zijn er niet dus… Dat verdroegen we dan maar, eerst met pogingen het gedoe op diplomatieke wijze onder controle te krijgen:’ Nu slapen jongens, anders ben je morgen te moe voor het strand’ en later onder het uitroepen van loze dreigementen als ‘Wanneer je nu niet gaat slapen, mag je buiten gaan staan!’ Tegen Louie, die van geen ophouden wist, ook niet als zijn zuster al lang was neergezegen, met haar achterste in de lucht en haar hoofd op de dekens. Maar ja, dachten we toen, uiteindelijk vallen ze wel in slaap. En dat deden ze. En dan lazen wij een boekje voor de tent, met onze hoofdlichtjes en een beker thee, ondertussen de slechte jaren tachtig muziek van de buren verdragend, die heus niet overdreven hard stond maar wel op een volume dat je er niet onderuit kon en waar we ook niet over wilden gaan zeuren. Je wilt natuurlijk niet als onverdraagzaam bekend staan.

Zo werden wij dan tegen het redelijke uur van half acht weer gewekt, ik als eerste, omdat ik door een klein meisje vanuit haar kinderbedje (ik lag er naast) werd bekogeld met knuffelbeesten, onder het geroep van het commando ‘Uit! Uit!’ Met het teruggooien van de beesten werd het een spelletje waardoor ik nog tien minuten kon blijven liggen, daarna gingen we dan -man werd natuurlijk ook wakker van het geroep- aan de gang met melkflesjes en koffie. Louie, ook al geen ochtendmens, kroop dan nog wat glazig in een van de vouwstoeltjes.

Natuurlijk had  ik ook nu weer niet het idee dat ik echt ‘vakantie’ had. Koken moet je zorgvuldig plannen want iemand moet de kinderen in de gaten houden. Rustig voor de tent zitten gebeurt altijd met haviksogen gericht op de bezigheden van de kleintjes, een boek lezen kan dus alleen als ze slapen. Vanmiddag op de weg terug stopten we nog even bij een speeltuin, waar ik Louie uit het oog verloor toen ik Anna in de schommel hees en Tom op het toilet was. Het ene moment staat hij bij de glijbaan, het volgende zie ik hem wegrennen, achter een speeltuig waarbij ik dacht dat hij wel weer tevoorschijn zou komen, maar dat deed hij dus niet: paniek. Hij was gewoon naar een glijbaan gerend, maar intussen had ik heel de speeltuin gealarmeerd en kwam man net aan, die mijn paniekerige blik zag. Heel even dachten we dat hij naar de beek was gerend of de weg, maar godzijdank. Ik had er wel honderd grijze haren bij en bleef de rest van de dag misselijk van angst.

Met Anna aan het strand was dolle pret, maar iedere seconde ben je je bewust dat ze nog verdrinken kan in een regenplas, laat staan in een heel grote plas. En haaien, er zitten hier overal haaien. Hoe dicht komen die aan de kust? En dan stonden we enkeldiep in het water. Bij een mooie waterval die in een beek uitkwam, hebben we een foto gemaakt waar we lachend op staan, maar in mijn achterhoofd had ik steeds: als ze maar niet ergens van de kant af glibberen.

Toch bevalt dat kamperen wel. We zijn erg opgeknapt van dit weekend, dat het 28 graden was hielp natuurlijk. Volgende keer gaan we het nog primitiever aanpakken en kamperen op een natuurcamping van de overheid, waar bijvoorbeeld maar vier staanplaatsen zijn voor tenten en geen uitgebreide sanitaire voorzieningen, midden in de wildernis. Tussen de andere gezinnen gaan staan kunnen we thuis ook, we willen toch ook de echte Kiwi-experience. De kindertjes bevalt het alvast prima, en als ze dan een keer niet kunnen douchen, daar hoor je hun niet over klagen…

Afbeelding

Happy Holidays!

Standaard

 

Kerstmis in de zomer van Nieuw Zeeland is raar. Het is gewoon geen Kerst. Mijn boom dit jaar is een zielige kale tak, behangen met een geruit lint en kleine doosjes in de vorm van kerstfiguurtjes (hert, kerstman, sneeuwman, je weet wel).Omdat ik het niet de moeite vind voor de korte periode dat we hier zijn een vermogen uit te geven aan kerstversiering die a)niet alleen lelijk, maar b)ook overbodig is. Ik bedoel: de zon schijnt, wie heeft er nu lichtjes nodig? Ik wilde dus iets artistiekerigs doen met een mooie, afgebleekte tak van wrakhout die ik aan het strand zou vinden maar dat lukte niet. Aan wrakhout geen gebrek maar de juiste tak zat er niet tussen, veel tijd om te zoeken had ik ook niet.

Man wilde liever op zoek naar mosselen en de kindertjes wilden niet wachten in de auto (ze loslaten kon niet, want ze leken al onderkoeld van de eerdere zwem- water speelsessie en bovendien zou dat gevaarlijk zijn wanneer ik intussen naar een tak zocht) Maar echt rustig zoeken met dat gejengel op de achtergrond was het ook niet, dus gaf ik het op en zocht ik mijn heil in het bos achterin de tuin, en daar had ik  meer geluk. Nou ja, dat heet.

Het is weliswaar een tak met mooie vertakkingen, en met het kerstpapier om de voet (lege melkfles gevuld met steentjes) lijkt het nog wat maar het resultaat dat ik voor ogen had bleef uit. De kinderen keurden het geval geen blik waardig, man rolde grijnzend met zijn ogen en zette ‘Kerst van Toen’ van Benny Neyman  (Greatest Kerst-Hits op de ipod, jawel) voor me op, waar ik dan weer heel hard om moest lachen.

Het geeft niet. Al eerder had ik gemerkt dat ‘Last Christmas’ van Wham het gewoon niet doet bij 25 graden, en dat het met mooi weer ook meteen gedaan is met mijn culinaire inspiratie. Ik geef toe, het heeft wel wat; eens een keer niet totaal geobsedeerd de ‘Allerhande’ uitpluizen, vervolgens als een bezetene van supermarkt naar supermarkt, slager en delicatessenzaak rennen, mensen te vervelen met mijn kerst cd’s en me af te vragen of ‘Sissi’ dit jaar wel of niet uitgezonden gaat worden. Bovendien is het mooi weer in een periode waarin je normaal gezien smacht naar sneeuw, die zelden valt.

Wel had ik het moeilijk toen het op kerstavond begon te stormen en regenen en er geen lichtjes in de tak brandden. Maar op eerste kerstdag ontbeten wij in de zon, borrelden op een terras en brachten de dag door met vrienden. Omdat het te hard waaide voor de barbecue, stopten we van alles in de oven, aten we sla uit de tuin en aardbeien en pavlova als toetje en hadden een bijzonder leuke dag. Mis ik mijn familie? Ja. Ben ik zo’n echte Europeaan die kerst toch blijft zien als een onderdeel van de winter en alle tradities van dien? Ja echt wel, en ik ben er trots op.

Maar nu is Kerstmis voorbij en ik merk dat er een enorm voordeel zit aan de zomervariant. Het gat waarin je thuis valt na de feestdagen,wanneer  alle etentjes en feestjes voorbij zijn en de kerstbomen aan de straat liggen, meestal zielig in de regen en je beseft dat het nog zeker drie maanden  duurt eer het wat begint op te warmen buiten, ontbreekt. Daarentegen is de nieuwjaarsduik ineens een ontzettend aantrekkelijk idee en hebben wij nog allemaal zomerse uitstapjes in het vooruitzicht. Het enige waar je niks aan doet, is het missen van iedereen thuis. Weer of geen weer, het feestdagensentiment blijft overeind.

Ik wens iedereen een heel gelukkig 2014.

Image

A walk in the park part II

Standaard

Een van de dingen die wij heel leuk vinden hier is dat je vrij gemakkelijk geweldige plekken kunt ontdekken. Je loopt tussen de villawijken maar schijn bedriegt: het natuurreservaat dat om de hoek begint herbergt een dal met een prachtige waterval en grote varenpalmen. En het is niet dat ze hier geen files kennen -vraag maar aan de echtgenoot die het gedurende de werkweek ook hier mag meemaken- maar we zijn er nu al een heel aantal keer op uit geweest zonder de gebruikelijke frustraties van weekendfiles of asociaal rijgedrag op de weg- op een enkeling na dan. Je pakt de auto en gaat. En zoveel wegen hebben ze hier niet, en je mag maar honderd, dus dat zegt wel wat, vind ik. En dan kom je dus hier terecht: Tararua Forest Park, Waiohine Gorge, waar je via een loopbrug over de rivier een prachtig natuurpark bereikt, met stokoude woudreuzen, varens en met mos begroeide bomen en keien zover het oog reikt. En watervallen.

En de kinderen hebben zich een hele poos met niks anders vermaakt dan steentjes in het water gooien en in de modder graven. En natuurlijk is het niet een en al romantiek: de auto maakt soms rare geluiden, mijn linkerbeen heeft om de een of andere reden een voorkeur bij insecten die het voortdurend lekprikken waar ik dan allergisch op reageer, dochter wordt woedend op het autostoeltje en zoonlief voert de spanning graag op door het vlak voor een steile afgrond op een krijsen te zetten omdat hij “GEEN HANDJE GEEFEN!!!” Maar hey, dat zie je op de foto niet. En na deze dag was iedereen zeer voldaan en reden we weer terug, de zonsondergang tegemoet.

AfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeelding

Nieuw

Standaard

Weetje: Nieuw-Zeeland werd volgens een bepaalde overlevering al ontdekt rond het jaar 900 door  een volk van jagers en vissers, de Polynesiërs, een zeevaarder genaamd Kupe in het bijzonder. Veel eerder dan Abel Tasman of James Cook trotseerde hij met zijn volk de golven in primitieve houten boten, het soort waarvan tegenwoordig niemand met een beetje gezond verstand er maar aan zou denken er überhaupt  in te stappen, laat staan bij metershoge golven en veel wind. Hoe deze mensen wisten waar ze zoeken moesten? Ze volgden trekvogels op hun route. Ieder jaar wanneer de vogels kwamen, volgden zij hen weer en wanneer ze het spoor toch bijster raakten, keerden ze terug, om het ’t jaar erop opnieuw te proberen. Ze kwamen steeds verder. En zo ontdekten zij het land dat tegenwoordig bekend staat als Nieuw-Zeeland, of in hun taal: Aotearoa, dat ‘Land van de lange witte wolk’ betekent, naar het schijnt omdat het hier op leek toen ze het aan de horizon zagen opdoemen.

In plaats van mij voor te bereiden op een dergelijke boottocht, ben ik dagen bezig geweest met zaken als het ontruimen van de koelkast (waarbij ik de inhoud van halfvolle, kleverige flesjes ‘Wok-essentials’, curry, pesto en andere dingen die al lang over de datum waren, door het toilet heb gespoeld, een rotklus), kinderkleertjes opbergen, vetvingers van de ramen halen (ook al zijn we er niet, maar dan ziet het er tenminste eens van buiten een beetje proper uit) en het regelen van bankzaken enzo. We wogen onze bagage en de kinderen werden steeds lastiger omdat we even minder tijd voor ze hadden en ze voelden dat er iets te gebeuren stond. We namen afscheid van familie en vrienden, dat liet ons bepaald niet onberoerd.

En in tegenstelling tot die mensen van vroeger, bleven onze ontberingen beperkt  tot slecht slapen en vliegtuigvoedsel. Meevaller: Louie heeft zich zo geamuseerd onderweg dat hij, bij aankomst in Wellington, maar bleef vragen waar de vliegtuigen waren en of we nog eens gingen. Daar stonden we dan: twee doodvermoeide ouders met bleke gezichten en dito kindertjes, waarvan een met bloeddoorlopen oogjes van het onbeperkt films kijken onderweg. Kleine zus volkomen de kluts kwijt van het slaapgebrek, want om de zoveel uur werd ze wel een paar keer wakker, nadat het ons eerst een eeuwigheid kostte haar rustig te krijgen -mevrouw was het niet eens met het feit dat ze geen eigen stoel had en je in een vliegtuig niet mag rond hossen. It could have been worse: ze hebben niet gegild, geruzied of gebraakt of iets dergelijks.

Op onze eerste dag hebben we wat verdwaasd rondgedwaald door onze nieuwe hometown Wellington. Een prachtige dag aan het begin van de lente, maar het volle besef moet nog  indalen. Staan we echt aan de andere kant van de wereld? Anna pikt haar ritme alweer aardig op en was om zes uur deze morgen weer paraat. Louie is verknocht aan zijn nieuwe plastic speelgoedvliegtuig en is met zijn vader een auto gaan kopen. We zijn zeer warm ontvangen door vrienden hier, bij wie we mogen logeren en zoeken nog een huis, en zo zijn er nog allerlei praktische dingen te regelen. Tot zover nog geen nieuws. Al is alles nieuw. We zijn er echt. Toch voelt het ook vertrouwd. ‘Wie stappen zet, maakt grond’, heb ik eens horen zeggen. En zo landen we langzaam in ons nieuwe leven.

Afbeelding