Maandelijks archief: oktober 2013

Big Ben

Standaard

Mijn zoon is fan van de Big Ben. ik geloof dat het komt door ‘Cars 2’ die hij een poos terug zag bij zijn neefje. Daarin is de Big Ben te zien. “Klok!” riep hij toen hard, en zijn vader zei: Nee, dat is de Big Ben, zal ik je de echte eens laten zien? En toonde hem een filmpje op Youtube. Sindsdien is hij er helemaal ondersteboven van. Keer op keer wil hij het filmpje (‘Visit Big Ben’ heet het) zien, alsook heel veel andere filmpjes van kerken en kerkklokken. Hij gaat ook dolgraag naar de kathedraal. “Nóg Big Ben,” zei hij eerst, maar nu weet hij dat het de kathedraal is. Hij heeft ook een kartonnen klok, waar hij soms mee speelt. “Hoe laat is het? Vijf uur!” zei hij laatst. Het klopte nog ook, ik schrok me rot ook wel blij verrast natuurlijk. Het bleek echter toeval. Hij zei hetzelfde namelijk van half zes en kwart voor zeven.

Kalenders, daar begrijpt hij niks van. Louie leeft ‘in het nu’- een staat van zijn die veel volwassenen zo graag willen bereiken. Mijn zoon heeft nooit haast, vooral niet wanneer we nog twee minuten hebben om op school te komen en hij nog rustig met zijn treintjes wil spelen of als er iets in zijn schoen zit bijvoorbeeld, en op mijn gestress reageert met een blik van: ‘Waar heb jij last van?’ Maar het zorgt ook voor veel verwarring.

Ik had, in verband met het naderende vertrek, de ons resterende dagen in België opgeschreven met bij de einddatum een -al zeg ik het zelf- vrij aardige tekening van Nieuw-Zeeland. We hadden het idee dat hoe klein nog ook- onze jongen toch enige uitleg verdient, eer wij hem halsoverkop meeslepen naar het andere eind van de wereld. Zijn zus, tja, die heeft nog helemaal geen tijd- of plaatsbesef en onze grootste zorg wat haar betreft is dat ze niet kwijtraakt op het vliegveld en hoe we gaan voorkomen dat ze gaat apenkooien onderweg. Stilzitten is, zeg maar, niet haar ding.

Maar ja, sinds we zoon zijn gaan lekker maken met het vliegtuig waar hij in mag zitten (benieuwd overigens hoe lang dat leuk blijft), de treintjes en dolfijnen en ijsjes -‘ ja ze hebben daar heel veel ijsjes!’- die ze ginder hebben, en hem een promo-filmpje over het land lieten zien (voor de liefhebbers: http://www.youtube.com/watch?v=eh-0knDpn5g) waar hij geen genoeg van krijgt, wil ‘ie niet meer zo graag naar school. Niet omdat hij er niet graag is, omdat ie (denken we) bang is dat we zonder hem vertrekken.

En aangezien hij dus nog niet kan vooruitdenken (“Kijk, vandaag mag je hier een kruisje zetten, nu is het nog veertien nachtjes slapen”), is hij iedere dag in de veronderstelling dat we gaan. Dus wie weet zijn we te vroeg begonnen met onze uitleg, maar aangezien bij ons de zenuwen ook wel parten beginnen spelen wilde ik eerlijk zijn. “Wanneer Niew-Seelant?” vraagt Louie nu dus steeds, of “Naar Niew-Seelant?” als we bijvoorbeeld onze jas aantrekken om naar de bakker te gaan, en dan  zeggen we: “Nee, eerst gaan we naar de bakker en dán nog een aantal nachtjes slapen en dán naar Nieuw-Zeeland,” of: “Nee, vandaag gaan we naar opa, Nieuw-Zeeland dat duurt nog even,” en hij begrijpt er natuurlijk niks van. Ik wilde het dus maar even laten rusten maar het laat hem niet los. “Gaan we naar Niew Seelant? vraagt hij ook zodra de school uit is.

Ik vind het ook wel bizar: ons leventje gaat nog zijn gewone gangetje, maar heel binnenkort trekken we de deur achter ons dicht- voor een poos dan toch. Zelfs ik kan het niet goed bevatten. Ik krijg maar geen overzicht, al heb ik heel wat lijstjes klaarliggen van wat er mee moet en opgeruimd en afgesloten etcetera, maar als er vrienden vragen: “Ga ik je nog zien voordat je weggaat?” denk ik: shit, nee dus, want de komende dagen ben ik te druk en ’s avonds zijn er -in verband met een man met onregelmatige werkuren- nog maar een paar opties om af te spreken. Er zijn nog veel mensen die ik graag even had gezien, ook al gaan we niet voor eeuwig weg. Voor ’t makkertje is dit ook zoiets: “Lander ook mee naar Nieuw Seelant?” was het eerste wat hij een paar dagen geleden vroeg toen hij wakker werd. Lander is zijn grote vriend op school. En dit soort vragen breken mijn hart.

Bijna iedere dag zal onze jongen gaan vragen waar het ‘bruine huis’ is, waar opa en waar zijn vriendje en de juf. Ik weet, hij zal veel nieuwe indrukken op doen en plezier hebben, en waarschijnlijk, tegen de tijd dat we terug komen, nieuwe mensen hebben ontmoet waar hij zich aan heeft gehecht- maar toch. Geen idee hoe dat gaat bij kinderen van een jaar of drie, vier, maar ik hoop dat ze de draad weer oppakken alsof ze elkaar gisteren nog hadden gezien, zoals je dat met goede vrienden kunt hebben. Voor mij is het een troostende gedachte dat vriendschap de grens van tijd en ruimte kan overschrijden, Louie kan het alleen maar ondervinden. Want gelukkig is tijd vaak genoeg ook iets dat abstract mag blijven. En soms is het lastig, zoals bij kalenders of klokken. Of als antwoord op de vraag: “Zijn we al in Niew Seelant?” Die vraag gaat ook nog komen. Heel vaak.

Afbeelding

Advertenties

Spin

Standaard

“Dat van die reuzenspin vannacht in de keuken, dat was een geintje hè'” vraag ik aan de man, terwijl  we op de bank zitten. Het is avond. Het is herfst. Ieder jaar dit seizoen is het wel een keer prijs, maar erop voorbereid ben je nooit. Ik denk aan deze morgen, toen ik op blote voeten door de keuken liep. Eerst om zes uur, om voor Anna een flesje te maken, die als te doen gebruikelijk rond dat tijdstip klapwiekend in haar bed op en neer stond te hopsen, haar gemompelde ‘pappaaah, pappaahhh…’ steeds luider wordend.

Om escalaties in de vorm van een huilend (want te vroeg wakker geworden) broertje te vermijden, was snelle actie gewenst. Dan kon ik nog even terug naar bed, terwijl zij met melk en al nog even in de box knock out ging.  Om zeven uur was ik er weer, blootsvoets havermout roerend en spullen uit de koelkast graaiend voor het ontbijt. Toen kwam manlief met die spinnengrap: “Vannacht hè  toen ik niet kon slapen en beneden ben gaan lezen, rende er echt zóóó’n  joekel door de keuken, nog groter dan die ene die je had gevangen! ” 

Het was dierendag geweest op school, vandaar. En omdat wij niet in het bezit zijn van een pluizige cavia of een moppige hamster, was het aan moeders om insecten te gaan vangen in de tuin. In een leegstaande plantenpot op het terras wachtte mij een verrassing: acht poten, bruin en toevallig ook harig. Ik had het beest met gevaar voor eigen leven vanuit de pot in een jampot gekiept, intussen doodsangsten uitstaand dat het mormel er vandoor zou gaan en alsnog over de rand richting mijn handen zou klimmen. Je kunt je kind niet teleurstellen natuurlijk. 

Even tevoren had ik ook nog een kleiner beest, een nietsvermoedende kruisspin in een mooi web, te grazen genomen. Die was al ongelukkig ineengedoken tegen de wand van zijn jampot. En nu zat ik dus op de bank bang te zijn voor mogelijke nieuwe kruipers, ook wel bekend als ‘Tegenaria Paritiena’ (grijze huisspin), familie van de trechterspinnen (Agelenidae). Het  is gek ja: ik vang spinnen in jampotjes, maak ze niet dood want dat vind ik zielig, probeer ze dooie vliegen te voeren door die in hun web te gooien, maar word hysterisch bij het idee dat ze onder de bank of keukenkastjes vandaan komen rennen.

Ik heb vaak genoeg gezien dat spinnen -ook grote- bange sukkels zijn die niet weten hoe gauw ze weg moeten komen als ze uit hun web tuimelen of met een stokje worden aangeraakt. Maar toch blijf ik denken dat, in een onbewaakt ogenblik,  ze op me zullen springen of expres over mijn voeten gaan rennen.

Situatie een heel aantal jaren geleden, toen ik met twee zussen samen een groot herenhuis deelde: tijdens een feestje bleef een vriendin logeren en ik wees haar de weg naar haar kamer. Ze liep voor me uit, al op de trap naar de volgende verdieping, toen er opeens iets zwaars op mijn hoofd landde. Verontrust keek de vriendin over de reling. ‘Caro, wat zit er toch op je hoofd?’ Mijn eerste gedachte: ‘Oh mijn God! Arachnofobia!’ totdat ik voelde hoe vier pootjes zich krachtig afzetten tegen mijn schedeldak. Ik hoorde een plof, en toen ik omkeek zag ik nog net een muis in rengalop-op-de-plaats, zoals in een tekenfilm, die er daarop vandoor ging en de eerstvolgende ruimte binnenstoof.

We gilden en lachten en mijn opluchting was groot. Het was geen spin, maar een lief muisje dat waarschijnlijk al een tijdje op de trap had gezeten en in paniek naar beneden was gesprongen toen ze geen kant meer op kon omdat wij eraan kwamen. Iets minder was wel, dat het bleek om een plaag te gaan: vanuit het buurhuis, dat werd leeggehaald, waren ze waarschijnlijk, verjaagd van hun plek, en hadden een toegang tot ons huis gevonden.  Zo kon het zijn dat je ’s avonds op de bank zat en er muizen doodgemoedereerd door de keuken banjerden. Of je zag er een, wanneer je buiten op het terras zat, opeens tussen de tuindeuren bedenkelijk op een kruimel  knagen. Ik was geloof ik de enige die het wel gezellig vond.

Maar spinnen vind ik niet gezellig. Spinnen zijn als katten. Ze weten het precies wanneer je ze niet moet en om je te treiteren gaan die geleedpotigen dan over je parket rennen of boven je bed zitten. En ze zijn nooit alleen. Nee, het was dus geen geintje. Ze- of hij- naar het schijnt zijn ’t meestal mannetjes op zoek naar een date- zal nog ergens zitten, maar laat zich niet zien. Zijn eventuele vriendin ook niet. Ik probeer mijn voeten weg te houden van de randen onder de keukenkasten, en til mijn voeten van de grond als ik op de bank zit. Overigens werd die andere spin maar lauw ontvangen op school. Zowel door zoon als de rest. Meer in trek was de 87-jarige schildpad die niet wilde kruipen en kaka deed.

Afbeelding