Tagarchief: kinderen

Real Life

Standaard

Het is maandagmorgen en aan nieuws niks te kort. Spoorstakingen, spreidingsplannen, een hoger stroomtarief, Syrië. Maar vooral lijkt het nieuws te worden gedomineerd door een uitspraak die radiopresentatrice Siska Schoeters van Studio Brussel hier afgelopen zaterdag deed in een interview dat ze had met De Morgen, in de rubriek ‘De Tien Waarheden’. Op nummer twee: ‘Kinderen hinderen’: “Soms denk ik, als ik ze in bed leg, ‘Yes! Nu ben ik weer zeven uur van die little fuckers verlost’.” Ja, dat klinkt niet zo mooi inderdaad. Niet dat Siska haar kinderen niet graag ziet, dat wil ze wel benadrukken, en dat geloof ik zeker. Wanneer je het in de context leest, valt de opmerking ook heus te snappen, en er was dan ook veel begrip en bijval. Zelfs de website van het Nederlandse magazine Linda wijdde er een stukje aan. Gelukkig, Hoera. Meer eerlijkheid, ik ben voor. Maar ook streek ze veel mensen tegen de haren in. ‘Dat zeg je toch niet?” En ergens kan ik die groep ook begrijpen. Ik begin me namelijk stilaan te storen aan de teneur van sommige dergelijke artikelen: fijn dat we een taboe doorbreken, maar mag het wat minder alsjeblieft? Little fuckers: really?

Niet zo lang geleden stond in Volksrant Magazine een heel betoog over hoe het leven écht is met kleine kinderen, een artikel afkomstig van de hand van de schrijfsters (Femke Sterken en Barbara van Erp, zie links hieronder) die nota bene een jaar ervoor al een boekje open deden over hoe niet leuk kinderen kunnen zijn. Het is niet dat ik perse op het eind van zo’n stuk wil lezen dat ‘je er zoveel voor terug krijgt’ of iets van dergelijke strekking, maar nu begon ik bij  mezelf te denken: waarom beginnen die mensen er dan aan?
Dat feministes pur sang dan weer klaar staan met de bekende dooddoeners dat vrouwen teveel zeuren terwijl het huishouden tegenwoordig toch een makkie is en de meeste moeders verwende prinsesjes zijn, kun je dan verwachten. Zo verzandt de discussie voor je het weet weer in een hoop clichés over emancipatie.

Siska Schoeters maakte een opmerking die mij veel meer raakte dan de constante uitlatingen over haar ‘fuckers’ ‘etters’ en ‘draken’: namelijk dat ze, toen ze bij een vriendin eens haar hart luchtte over hoe zwaar het stiefmoederschap haar viel (ze heeft naast een zoontje twee stiefkinderen) deze reageerde met: “Zo mag je over je stiefkinderen niet praten.” En dat ze het gevoel had iets niet te mogen zeggen omdat het niet goed stond. Als vrouwen en vriendinnen tegenover elkaar niet eerlijk mogen zijn of de schijn moeten ophouden dat alles altijd fantastisch moet gaan is natuurlijk erg, en kan je inderdaad het idee geven dat je gek bent of een slechte moeder. Had ze het hierbij gelaten dan had ik de boodschap ook wel begrepen.

Had ik, net als Siska, wat meer eerlijkheid gewild van ouders om mij heen alvorens kinderen te krijgen? “Degene die ooit de Roze Wolk heeft uitgevonden, die moet eraan.” zegt Siska ook. Zat ik op een roze wolk? Bij zwangerschap nummer een zeker ja. Al hield het me wel bezig of ik een goede moeder ging zijn. Wat mensen verder ook zeiden over kinderen, wat ik er zelf over wist, een eigen kind, ik kon me er geen voorstelling bij maken. Ik weet ook niet wat ik ermee had gemoeten als iemand me had verteld dat het eigenlijk vooral een heel gedoe is. Het had me niet tegengehouden, in ieder geval. Toen ik mijn zoon eenmaal had, schrok ik wel. Ik vond het zwaar. Ouderschap overviel me. Die verantwóórdelijkheid, man, man, dat gevoel was zo alles overweldigend.

De eerste keer dat ik tijdens de eerste kraamweek even 100 meter liep naar de apotheek om borstcompressen huilde ik heel de weg. Wat moest dat kind zonder mij? En mijn man die dan lief in de deuropening stamelde, het manneke op zijn arm: “Maar ik ben er toch?” Ik wist dat ik nooit meer dezelfde zou zijn. En ik denk dat ik door een best wel hevige postnatale dip ben gegaan. Toen onze dochter werd geboren, werd die periode sowieso overschaduwd door de dood van mijn mama. En dochterlief bleek een huilbaby. Soms vind ik het oneerlijk voor haar, dat ik niet ten volle van haar heb kunnen genieten als klein baby’tje. En ja, die periode was…zwaar.

Sowieso heb ik het gevoel dat er gaten in mijn geheugen zijn gevallen wat betreft de eerste twee jaren van haar leven: we sliepen zo slecht door die kleine refluxbaby, en mijn zoontje het peuterpubertijd in het kwadraat, wat mijn weerstand wat betreft leven in het algemeen behoorlijk kon doen dalen. Zo heb ik toen eens naar mijn schoonzus geroepen, toen we een ochtendje markt gingen doen en ze me bij de voordeur aantrof met twee schreeuwende kinderen- waarvan een in maxi-cosi: “Een tweede kind: Doe. Het. Niet!” Het zijn toen juist de ervaringsverhalen van moeders, in bladen, op internet en het echt, geweest die mij zo geholpen hebben, te weten dat ik niet de enige was. Die trend zie je wel al langer, dat moeders toch openhartiger zijn dan vroeger. Maar nu lijkt het door te zetten naar een soort overtreffende trap. De roze wolk moet en zal doorbroken.

Er wordt gescoord met populistische uitspraken en de nuance is zoek aan het raken, wee te zeggen dat je er ook nog een beetje van geniet! Had de radiopresentatrice het vast niet zo bedoeld met haar ‘kleine fuckers’? Ik geloof het niet, ze wilde graag een reactie uitlokken en dat is gelukt. Ik heb zelf overigens helemaal niet het idee dat ik nooit iemand hoor over de dagelijkse strijd en chaos die baby’s en kleine kinderen met zich meebrengen, en heb het geluk mensen om mij heen te hebben van wie ik allerlei dingen mag zeggen die ‘niet goed staan’, heb ze denk ik ook opgeschreven. Wellicht dat dit scheelt. Ja, Siska zegt wat wij soms ook wel eens denken, soms zelfs dus hardop zeggen. En ik begrijp haar. Ouderschap ís dubbel: het is zwaar en fantastisch tegelijk, mogen we het daar over eens zijn? En laat vooral weten dat je leven niet perfect is, Fuck perfectie! (Zo, ik gebruik ook een krachtterm). Maar laten we er alsjeblieft geen wedstrijd van maken.

http://www.volkskrant.nl/leven/waarom-het-moederschap-niet-altijd-even-leuk-is~a4138664/?utm_source=twitter&utm_medium=social&utm_content=free&utm_campaign=shared+content&hash=7f34c7729781801cef1fc484a6058529067b18a8 (sorry voor de lange link, maar anders was het niet gratis te lezen)

Wel dit artikel: http://www.demorgen.be/opinie/beste-siska-laten-we-de-fuckertjes-maar-even-weglaten-uit-onze-kranten-en-facebook-bf939b8d/

http://www.me-to-we.nl/waren-ze-maar-alvast-de-deur-uit-barbara-schrijft-het-van-zich-af-de-volkskrant/

Het artikel van De Morgen valt niet online te lezen. Maar google ‘ Siska Schoeters’ en je komt genoeg samenvattingen tegen.

Advertenties

Op de camping

Standaard

 Dit weekend was ons eerste experiment ‘kamperen met kleine kinderen’ en togen we naar het plaatsje Napier in de regio Hawkes Bay.”Waarom toch weer moeilijk doen”, hoor ik u denken. We kunnen het niet helpen. Het is sterker dan wij. Maar ja, er komt ook een financieel element bij kijken: wij gaan graag weekendjes weg, willen geen moment onbenut laten hier van het land te genieten, en iedere keer een hotel of B&B boeken voor vier personen kost een vermogen, want Nieuw-Zeeland mag dan wel exotisch en ver weg zijn, het is helaas geen Thailand waar je voor een paar euries een hutje aan het strand huurt.

Onze conclusie: beter nog hadden we een klein busje, dat is minder log dan een camper en je zwiert alles erin, en het scheelt vooral een tent vouwen, wat echt geen luiigheid is hoor, wanneer de kleintjes ronddrentelen en je bang bent dat ze gegrepen worden door loslopende honden, stapvoets rijdende auto’s, verdrinken in de beek of door andermans kookvuurtjes heen walsen met alle gevolgen van dien. De stress van slaapzakken of matjes die het vertikken zich weer in hetzelfde zakje te laten proppen waar je ze ook hebt uit gehaald, hoe secuur je ook vouwt of ontlucht, kun je op die momenten ook missen als kiespijn.

Zeker als je dochter -waarvoor je geen handen vrij hebt om ‘r tegen te houden of een doekje te pakken- met haar jamhandjes, klef van de boterham waar ze al een half uur mee rondloopt, nog even alles op haar weg vastgrijpt: je trui, de tent, de vouwstoeltjes, broer en papa’s broek. Alles komt onder een plakkerige laag te zitten, en dan moet het nog in de auto geladen ook. Maar: kamperen met de kleintjes, het gaat hoor! Prima zelfs. Ze amuseerden zich rot. Rondrennen op het grasveld, klooien met steentjes in de beek, pas slapen als het donker wordt, ’s ochtends vanuit je bed meteen de speeltuin in rennen, mee naar het strand, en naar een heuse waterval. Eens mogen zien hoe de sterren tevoorschijn komen. En buiten, heel de dag buiten.

Ja, er zijn meer uitdagingen natuurlijk. Eten zonder tafel wordt een soort spaghetti- of  tomatensoepestafette. Aangezien er geen kinderstoel aanwezig is om in vastgesnoerd te worden, loopt dochter lekker rond en neemt van iedereen een hapje, roert staand in haar soep of rent rond met een hand vol slierten. Louie kan al best netjes eten, maar niet als hij op de grond zit, hoe hard hij ook probeert, en dan paniekerig uitroept: “Oh nee, gemorst!” Toen er weer een hap noodles naast zijn bord viel, en hij er uit frustratie boos doorheen begon te harken, resulteerde dit er in dat je nergens meer op de grond kon gaan zitten voor de tent zonder kleffe, half gedroogde instant-noodles aan je broek te krijgen, iets waar je natuurlijk altijd achteraf achter komt. Man had een broekspijp vol soep, aangezien het pannetje weliswaar een schenktuitje had maar geen heel erg groot, en er zo een grote golf op de grond terecht kwam, waar hij dan later ook weer per ongeluk op ging zitten.

U denkt: “Jullie uitrusting is misschien wat primitief”. Dat klopt. En op de conclusie: ‘Een klein camperbusje was nog handiger geweest dan onze stationcar’ volgde algauw: ‘We moeten een uitklaptafel/afwasteiltje/tupperware opbergdozen en behoorlijk kookstel aanschaffen’. Maar het punt is dat de auto zo al vol genoeg zit. Wanneer we eind deze maand van Wellington verhuizen naar onze volgende stek, zit de auto zelfs propvol. Er kan nu al geen tupperwaredoos meer bij, helaas. Maar goed, het lukt zo ook wel. Een grasveld is tenslotte geen tapijt, ze zijn dolblij met soep met ballen of pasta (kun je allemaal in één pan klaarmaken) en onze dochter kan er ook niks aan doen dat ze nog zo onhandig is, en op haar weg dwars door alles heenloopt. Zoals de koffiepot , wat ons ochtendritueel wreed verstoorde, of de scheerlijnen, of de net gedane afwas van het plastic kampeerservies (dat hebben we dan weer wel).

Slapen viel, ondanks best luidruchtige buren, ook nogal mee. Natuurlijk betekent slapen in de tent keten; het blijft ook lang licht, muren zijn er niet dus… Dat verdroegen we dan maar, eerst met pogingen het gedoe op diplomatieke wijze onder controle te krijgen:’ Nu slapen jongens, anders ben je morgen te moe voor het strand’ en later onder het uitroepen van loze dreigementen als ‘Wanneer je nu niet gaat slapen, mag je buiten gaan staan!’ Tegen Louie, die van geen ophouden wist, ook niet als zijn zuster al lang was neergezegen, met haar achterste in de lucht en haar hoofd op de dekens. Maar ja, dachten we toen, uiteindelijk vallen ze wel in slaap. En dat deden ze. En dan lazen wij een boekje voor de tent, met onze hoofdlichtjes en een beker thee, ondertussen de slechte jaren tachtig muziek van de buren verdragend, die heus niet overdreven hard stond maar wel op een volume dat je er niet onderuit kon en waar we ook niet over wilden gaan zeuren. Je wilt natuurlijk niet als onverdraagzaam bekend staan.

Zo werden wij dan tegen het redelijke uur van half acht weer gewekt, ik als eerste, omdat ik door een klein meisje vanuit haar kinderbedje (ik lag er naast) werd bekogeld met knuffelbeesten, onder het geroep van het commando ‘Uit! Uit!’ Met het teruggooien van de beesten werd het een spelletje waardoor ik nog tien minuten kon blijven liggen, daarna gingen we dan -man werd natuurlijk ook wakker van het geroep- aan de gang met melkflesjes en koffie. Louie, ook al geen ochtendmens, kroop dan nog wat glazig in een van de vouwstoeltjes.

Natuurlijk had  ik ook nu weer niet het idee dat ik echt ‘vakantie’ had. Koken moet je zorgvuldig plannen want iemand moet de kinderen in de gaten houden. Rustig voor de tent zitten gebeurt altijd met haviksogen gericht op de bezigheden van de kleintjes, een boek lezen kan dus alleen als ze slapen. Vanmiddag op de weg terug stopten we nog even bij een speeltuin, waar ik Louie uit het oog verloor toen ik Anna in de schommel hees en Tom op het toilet was. Het ene moment staat hij bij de glijbaan, het volgende zie ik hem wegrennen, achter een speeltuig waarbij ik dacht dat hij wel weer tevoorschijn zou komen, maar dat deed hij dus niet: paniek. Hij was gewoon naar een glijbaan gerend, maar intussen had ik heel de speeltuin gealarmeerd en kwam man net aan, die mijn paniekerige blik zag. Heel even dachten we dat hij naar de beek was gerend of de weg, maar godzijdank. Ik had er wel honderd grijze haren bij en bleef de rest van de dag misselijk van angst.

Met Anna aan het strand was dolle pret, maar iedere seconde ben je je bewust dat ze nog verdrinken kan in een regenplas, laat staan in een heel grote plas. En haaien, er zitten hier overal haaien. Hoe dicht komen die aan de kust? En dan stonden we enkeldiep in het water. Bij een mooie waterval die in een beek uitkwam, hebben we een foto gemaakt waar we lachend op staan, maar in mijn achterhoofd had ik steeds: als ze maar niet ergens van de kant af glibberen.

Toch bevalt dat kamperen wel. We zijn erg opgeknapt van dit weekend, dat het 28 graden was hielp natuurlijk. Volgende keer gaan we het nog primitiever aanpakken en kamperen op een natuurcamping van de overheid, waar bijvoorbeeld maar vier staanplaatsen zijn voor tenten en geen uitgebreide sanitaire voorzieningen, midden in de wildernis. Tussen de andere gezinnen gaan staan kunnen we thuis ook, we willen toch ook de echte Kiwi-experience. De kindertjes bevalt het alvast prima, en als ze dan een keer niet kunnen douchen, daar hoor je hun niet over klagen…

Afbeelding

A walk in the park part II

Standaard

Een van de dingen die wij heel leuk vinden hier is dat je vrij gemakkelijk geweldige plekken kunt ontdekken. Je loopt tussen de villawijken maar schijn bedriegt: het natuurreservaat dat om de hoek begint herbergt een dal met een prachtige waterval en grote varenpalmen. En het is niet dat ze hier geen files kennen -vraag maar aan de echtgenoot die het gedurende de werkweek ook hier mag meemaken- maar we zijn er nu al een heel aantal keer op uit geweest zonder de gebruikelijke frustraties van weekendfiles of asociaal rijgedrag op de weg- op een enkeling na dan. Je pakt de auto en gaat. En zoveel wegen hebben ze hier niet, en je mag maar honderd, dus dat zegt wel wat, vind ik. En dan kom je dus hier terecht: Tararua Forest Park, Waiohine Gorge, waar je via een loopbrug over de rivier een prachtig natuurpark bereikt, met stokoude woudreuzen, varens en met mos begroeide bomen en keien zover het oog reikt. En watervallen.

En de kinderen hebben zich een hele poos met niks anders vermaakt dan steentjes in het water gooien en in de modder graven. En natuurlijk is het niet een en al romantiek: de auto maakt soms rare geluiden, mijn linkerbeen heeft om de een of andere reden een voorkeur bij insecten die het voortdurend lekprikken waar ik dan allergisch op reageer, dochter wordt woedend op het autostoeltje en zoonlief voert de spanning graag op door het vlak voor een steile afgrond op een krijsen te zetten omdat hij “GEEN HANDJE GEEFEN!!!” Maar hey, dat zie je op de foto niet. En na deze dag was iedereen zeer voldaan en reden we weer terug, de zonsondergang tegemoet.

AfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeeldingAfbeelding

Schijn

Standaard

Ik kan tegenwoordig geen tijdschrift meer openslaan of ik kom artikelen tegen van vertwijfelde journalistes die zich hardop afvragen waarom het toch lijkt alsof iedereen zijn leven zo op orde heeft, behalve zijzelf. Zoals in Ouders van Nu: “Als werkende moeder van twee (3 en 1 jaar) heb ik het gevoel dat mijn man en ik de laatste tijd langs elkaar heen leven. Volgens mij zijn we niet de enigen, maar het verbaast me dat je er zo weinig over leest of hoort. Wat je wél hoort, zijn dingen als: ‘Nee, hoor, alles gaat prima. Onze taken zijn heel duidelijk verdeeld’.”

In Red heeft de schrijfster in kwestie het over het feit dat ze zo slecht is in het onderhouden van haar sociale contacten, nu ze zo druk is met baan en gezin, en neemt zichzelf onder handen: “Het moet toch anders kunnen.” Eigenlijk vindt ze namelijk dat haar vriendschappen toch niet zoveel zouden moeten lijden onder het leven dat ze nu inmiddels heeft. Hoewel ik hun ‘zorgen’ zelf erg goed begrijp, vraag ik mij toch af met wat voor soort mensen die journalistes dan wel omgaan.

De meeste mensen die ik ken komen er namelijk zonder meer eerlijk voor uit, dat hun leven het grootste deel van de tijd helemaal niet zo goed georganiseerd is. Zoals een vader die ik onlangs sprak, de helft van een bevriend stel. Tijdens een avondje ‘Zomer van Antwerpen’, met onze voeten in het zand van een zomerbar, en een hip soort Mojito-biertje  (dat vooral smaakte naar afwasmiddel, maar dat terzijde) in de hand, praatten we wat bij. “Ik vind het best wel pittig, twee van die kleintjes,” merkte hij op, waarna we ervaringen uitwisselden over de rommel in huis, chronische oververmoeidheid, het opvoeden van peuterpubers, en een sociaal leven dat er zo’n beetje bij inschiet.

Voordat u denkt: “Die vrouw die daar haar tijdschriftjes leest en in hippe uitgaansgelegenheden staat te socializen, waar gaat die nu over klagen?” Nou, dat avondje weg was het eerste in maanden, en we hebben het welgeteld tot 11 uur volgehouden. En lezen doe ik in bed of op de wc (door columniste Aaf Brandt Corstius, moeder van twee peuters van 2 en 3, al eens omschreven als ‘heilige momenten me-time’) Maar toegegeven, ik heb ’t erg makkelijk in tegenstelling tot vriendinnen die in hun eentje een gezin runnen, die zelfstandige zijn en pas ’s avonds, als de kinderen eindelijk in bed liggen, kunnen gaan werken, maar er wel nog drie keer eruit moeten ’s nachts. Of die fulltime werken en ’s ochtends om zes uur op moeten nadat ze óók de halve nacht zijn wakker gehouden, die een gezin in hun eentje runnen of die niet zo makkelijk kunnen terugvallen op een oppas.

Iedereen heeft het erover dat het zo jammer is dat we elkaar zo weinig zien en dat zo’n week omvliegt, en het zo lastig is soms je dag te plannen met die slaapjes en de rest. Iedereen weet dat een middag weg met één of twee kleine kinderen voorbereiding en inpakwerk vergt dat vergelijkbaar is met een weekje basejumpen in Zwitserland. Niemand heeft daar altijd evenveel energie voor want we slapen allemaal te weinig.

Maar blijkbaar heerst er onder sommige mensen toch een soort taboe rond ‘Help, na een jaar zonder fatsoenlijke nachtrust heb ik wel eens geen zin in seks, de energie om een tafel in een leuk restaurant te boeken, naar de andere kant van het land te rijden, is laat opblijven een straf.’ Of: ‘De combinatie gezin/werk/huishouden etc. zorgt er voor dat ik alles tegelijk moet doen maar nergens tijd voor heb’.

Wat me stoort is de teneur van sommige dergelijke artikelen, dat je wel kinderen mag hebben, maar het blijkbaar niet mag laten merken. Dat is niet alleen onmogelijk, als je onder vrienden al zo de schijn moet ophouden, is het ook best wel sneu. Maar misschien komt dat wel omdat de mensen die ik ken, heel regelmatig een boekje open doen over hun niet zo heel perfecte leven. Juist fijn dat je dat af en toe even bij elkaar kwijt kunt. Het relativeert ook lekker, en dan voel je je weer normaal (zoals ik al zei: ik herken de zorgen).

Ik wil hier dan ook iedereen bedanken voor jullie openhartigheid en iedere keer dat er weer iemand met een ‘heel herkenbaar!’  reageert op een blog- of facebookpost of iets wat ik net verteld heb. Voor het wederzijdse begrip dat frequent afspreken of ellenlange telefoongesprekken niet altijd mogelijk zijn, dat we soms iets moeten cancelen wegens een ziek kind, de driftbui van een peuter die een goed gesprek verstoort, of hoe lastig het is de agenda’s eens synchroon te krijgen. Dat ik blijkbaar niet de enige ben met kindertjes die wel eens niet luisteren, of het huis nooit aan kant krijg, hoe hard ik ook probeer. Of, zoals mijn man reageerde na een avondje terras, toen ik het na het etentje en drie drankjes wel voor gezien wilde houden: ‘We zijn ouders van jonge kinderen, wat dacht je dan?”

Afbeelding

Beste Sofie Verschueren

Standaard

Dank, dank voor je mooie pleidooi aan het adres van Minister van Werk Monica de Coninck, die het nodig vindt van leer te trekken tegen parttime- en niet werkende vrouwen, en degenen die overwegen hun voltijdse werkweek te verkorten zodat ze wat meer tijd hebben voor hun gezin (sofinesse.be onder het kopje ‘hoogachtend’). In Nederland, waar ik niet meer woon maar wel vandaan kom -de reden dat ik het nieuws daar nog zijdelings volg- woedt dezelfde (eeuwigdurende) discussie: eens in de zoveel tijd wordt er weer een blik clichés opengetrokken om aan te geven waarom je als vrouw toch vooral voltijds aan het werk moet.

Jij, voltijds werkende moeder, geeft aan je droomjob bij de radio te hebben gevonden (een soort job die hard bevochten en zeer schaars is) en dus in de ogen van de minister voldoe je aan alle voorwaarden voor de moderne vrouw van nu. Alleen, je vindt het zeer jammer geen tijd over te houden voor je zoontje van 11 maanden die vijf dagen naar de opvang gaat en die je liever eens wat vaker zou zien. Ook financieel redden jullie het, ondanks die twee fulltime banen, maar net. Jij maakt je zorgen en vraagt je hardop af hoe het moet in de toekomst, omdat je constant het gevoel hebt te moeten jongleren om de combinatie werk&gezin een beetje te laten functioneren, en ondertussen willen jullie je bescheiden huis afbetalen. Eigenlijk werkt het in jouw ogen dus niet echt. In je brief vraag je om hulp en heb je vele vragen, waarop je geen antwoord krijgt van de minister.

Jouw pleidooi kent veel aanhangers, die zich herkennen in je verhaal en ook tegenstanders, die vinden dat je niet moet zeuren. Een aantal noemt je en verwend nest. Omdat het normaal is dat jonge gezinnen weinig tijd en middelen hebben, omdat moeders -werkend of niet- er vroeger helemaal alleen voor stonden en de mensen in de Derde Wereld er nog veel erger aan toe zijn (wat op zich waar is, maar bezijdens de kwestie in dit geval. Jij zegt zelf dat je best beseft hoe goed je het hebt).

De grootste dooddoener vond ik wel de reactie op jouw schrijven van de Vlaamse minister -de vrouw die zo vurig pleit voor seksegenoten in fulltime banen- namelijk dat je niet alles kunt hebben. Met andere woorden: zolang jouw kind vijf dagen in de opvang zit en jij werkt, is er toch niks aan de hand en maak gebruik van de systemen die er zijn of spreek je vriend aan op zijn verantwoordelijkheden (wat je beide al gedaan hebt, je man is daarbij een toegewijde en ‘moderne’ vader). Of je anders misschien moet overwegen toch minder te gaan werken en een voortrekkersrol op je te nemen in het mannenbolwerk dat de mediawereld is?

Mijn verhaal is tegenovergesteld aan dat van jou: ik ben thuis bij mijn kinderen. Echter mij wordt de keus om mijn (betaald) werkende bestaan voorlopig vaarwel te zeggen niet in dank afgenomen. Ik ben in de ogen van de minister van onderwijs van Nederland verwend omdat ik ‘teer op de zak van mijn man’ (haar woorden) en naïef, dat ik het in mijn hoofd haal voor mijn kinderen te willen zorgen. Omdat de kans er dik in zit dat het van een scheiding komt, en eenmaal weg van de arbeidsmarkt raak ik nooit meer aan betaald werk. Ondanks een dreigende krapte op diezelfde arbeidsmarkt in de toekomst waar zij over spreekt, zal ik dan opeens te oud worden bevonden. Dat kinderopvang ook geld kost, dat er een tekort aan is en het niet altijd even goed functioneert, dat er tegenwoordig hopeloos veel mensen zijn die hoogopgeleid zijn en werkeloos, en dat mensen zoals ik (opgeleid voor sector die nu hopeloos onderbetaald is en waar je amper een baan in vindt) zich sowieso beter laten omscholen, daar gaat ze even aan voorbij.

Ik ga hier even in het midden laten hoe en waarom mijn situatie is ontstaan, het is een combinatie van een samenloop van omstandigheden en idealen, maar toch herken ik mij in jouw pleidooi. Want in de opmerking van de minister dat je niet ‘alles’ kunt hebben, heeft ze gelijk wanneer je als jong gezin dure vakanties en luxeartikelen misschien moet vergeten. Of tijd om uit te gaan of voor de macramee- of fitnessclub. Maar jij bedoelde er juist mee het vinden van een goede balans in werk- en gezinsleven. En ja, inderdaad zou je kunnen spreken van een typisch westers luxeprobleem.

We hebben het inderdaad goed, veel beter dan vroeger of dan veel mensen in de wereld zo je wilt. Maar ik vind net als jij de vraag op het recht om voldoende tijd met je kinderen te mogen doorbrengen een heel wezenlijke (dat is het stukje idealisme). En ik vind het vrij eng hoe onze maatschappij evolueert tot een samenleving waarin alles en iedereen wordt afgemeten aan economische rendabiliteit. Dat is namelijk wat in mijn ogen (en daarin sta ik niet alleen) doorschemert in dit hele verhaal.

Onlangs las ik bijvoorbeeld in De Volkskrant dit (http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3442979/2013/05/17/Word-je-als-mens-M-V-wel-gelukkig-van-al-dat-harde-werken.dhtml) artikel, waarin Gerhard Hormann zich heel terecht afvraagt wat voor overspannen verwachtingen een minister (in dit geval de Nederlandse Jet Bussemaker) heeft van de wereld waarin alle vrouwen fulltime moet werken: ‘Wie een karikatuur wil neerzetten van onze samenleving – en dat doet Bussemaker in haar eigen emancipatienota feitelijk ook – kan vaststellen dat we eerst onze kinderen onderbrengen in crèches en onze ouders in bejaardenhuizen (noot: in Vlaanderen mag het eten van een bejaarde 4 euro per dag kosten), waarna we onszelf de hele week vrijwillig opsluiten in kantoortuinen. Dat eerste doen we zogenaamd omdat dat ‘goed voor hun ontwikkeling is’, het tweede omdat dat ‘voor hun eigen bestwil is’ en het laatste voor onze eigen ‘persoonlijke ontplooiing’.’ Tijd voor iets anders blijft er niet over, dus wordt het er uiteindelijk beter op?

En dan het feminisme, ja het feminisme. Het is een groot goed wat er met de emancipatie bereikt is, maar soms lijkt het alsof die nu als excuus gebruikt wordt, zo valt ook in het artikel te lezen. De schrijver vindt het jammer dat men vooral blijft hangen in eindeloze man/vrouw discussies, ‘Terwijl wie verder kijkt, ontdekt dat in de emancipatienota eigenlijk de manco’s van een dolgedraaide maatschappij worden blootgelegd waarin alles alleen nog maar om economie draait.’ Het gaat, met andere woorden, helemaal niet om vrouwenemancipatie. Het hele verhaal geldt natuurlijk net zo goed voor mannen.

Net als jij in jouw positie (zoals je zelf zegt), voel ik mij in de mijne bijzonder bevoorrecht. Daarom, als verwende huismoeder, die het geluk heeft haar kinderen van dichtbij te zien opgroeien, steun ik jouw brief. Ik ben niet iemand met een gedachtegoed uit de jaren vijftig, dat vrouwen het best af zijn thuis, ofzo. Echt niet. Net zoals jij jouw verhaal hebt, is mijn verhaal het mijne. En de ministers hebben ergens ook een punt, als ze zeggen dat je moet nadenken eer je je carrière opgeeft, of besluit je beroepsleven anders in te delen. Maar ik hoop dat er een zinvolle discussie ontstaat, waardoor meer mensen de kans krijgen flexibel te zijn en de mogelijkheid krijgen hun leven in te delen met iets meer keuzevrijheid. Want tot hiertoe is vooral tijd de nieuwe luxe.

De Opschepmoeder

Afbeelding

Eenmaal moeder duurt het niet lang of je komt in contact met andere moeders. Meestal is dat leuk. Een praatje maken, gegeneerd lachend toezien hoe de kindertjes elkaar van het trapje van de glijbaan of de schommel proberen weg te duwen of elkaar speelgoed/snacks afhandig maken, waardoor het gesprek minstens een keer of twintig onderbroken dient te worden om de boel te sussen. Het schept een band en niemand stoort zich aan elkaar want we weten hoe ze nou eenmaal zijn, die kleine rakkers.

Gezeten op de houten rand van de zandbak maak je er heel wat mee: kordate moeders, bloemetjesjurkmoeders, oma’s, strenge moeders en altijd-blije- moeders (die heel hard mee doen op het klimrek). Maar onlangs had ik er een van het soort dat je liever mijdt: de opschepmoeder. Het gebeurde toen Louie een klasgenootje op de schommel ontdekte en blij haar naam uitriep. De betreffende mama stond er naast en we moesten lachen. Ik had haar nog nooit gezien. Hoe mijn zoon het deed op school? Ja, goed wel antwoordde ik, geen zin om er echt op in te gaan. Ik denk dat ik de bui ergens al voelde hangen.

‘Nou, ons Klaar* doet het geweldig, zo behulpzaam en lief altijd. Maar owee, als ze de deugniet uit wil hangen, berg je dan maar, een echte persoonlijkheid hoor!’ Begon ze. Ik knikte. ‘Ja, dat had die van mij natuurlijk ook. ‘Geen avontuurlijke hè, die?’, gebaarde ze naar Louie, die op en neer door het zand rende en de klimtoestellen volledig negeerde. ‘Tsja ons Klaartje zit al daarboven!’ wees ze achter ons naar een hoge toren met een steile trap naar boven.’Een durfal is ze.’ Inwendig kreunde ik. Ik was met mijn kindertjes naar de speeltuin gegaan omdat de zon scheen. Dat we er doorgaans zo’n vier keer per week komen en dat mijn zoon het daarom soms wel gezien heeft, zie ik soms over het hoofd. Omdat ik het idee heb dat het goed is voor kinderen, naar de speeltuin. Maar nu wilde mijn zoon op zijn eigen manier wat spelen, en deze moeder probeerde mijn middag te vergallen door overduidelijk de competitie aan te gaan over haar o zo fantastische dochter.

Dus, om de strijd af te kappen antwoordde ik gedecideerd dat mijn zoon al die klimrekken al heel vaak op en af geweest was en dat hij er daarom gewoon geen zin in had. Ondertussen schepte mijn dochter, die als een gemoedelijk boeddha’tje in het zand zat, handen vol van het spul naar binnen. Terwijl ik dit probeerde te verhinderen, bleef ze het met een starre blik in haar ogen opnieuw doen, als om te bewijzen dat de volgende hap mogelijk wél hartstikke lekker zou smaken. In tegenstelling tot iedere voorgaande, die langs haar mondhoeken weer naar buiten droop. Terwijl ik mijn aandacht moest verdelen tussen een zand etend kind en mijn zoon die er inmiddels mee naar zijn zus gooide, begon de opschepmoe nu, met een fronsende blik richting mijn baldadig jongetje (dat zou haar Klaartje vast nooooit doen) over de fantastische fietscapaciteiten van haar kind,  die haar loopfietsje verveeld even oppakte en na twee tellen alweer aan de kant gooide.

Tsja en wat moest ik? ik kon alleen maar zeggen dat Louie nog niet fietste. Het gespreksonderwerp kwam nu naar me toe omdat hij in een paal wilde klimmen en ik moest helpen. We gingen er zo hard in op dat ik de moeder van superkid eindelijk kon afschudden. Ik weet niet of ze de onuitgesproken boodschap ‘ik heb geen zin in dit gesprek’ had begrepen of dat ze wellicht opgaf omdat ze medelijden met me had, die vrouw met dat kind dat in haar ogen vast niks kon of durfde. Hoe hij zijn fantasie gebruikt en treinen ziet in blokken op een rij, dat hij tot tien kan tellen en de letters van zijn naam kent (ik zal dan ook eens een beetje opscheppen) en heus wel kan fietsen, maar het gewoon niet wil zolang wij er om zeuren, zijn dingen die zij nou eenmaal niet weet. Dat ik daardoor zo langzamerhand een meester ben in het omgekeerd psychologisch denken ook niet. Stiekem vroeg ik mij af of ik hem niet beter toch verdedigd had, door al die dingen alsnog te zeggen. Maar Klaartje en haar moeder waren verdwenen. Wij gingen ijsjes halen.

*niet haar echte naam

5c54de4f-3a4d-4742-9d18-2d26b153633c

Aside

Ik heb dus een kind dat niet graag naar de speeltuin gaat. Wilde hij vroeger occasioneel nog wel eens van de glijbaan, een beetje in het zand dabben en was hij een poosje bezeten van de ‘mommel’, als ik hem nu voorstel ernaartoe te gaan – ‘Lekker spelen, kom op!’ – roept hij heel hard: ‘Neeeehheee, Nee, NEE!

Dus terwijl ik dan soms al zo’n beetje onnozel aan het klimrek hing (alsof hij zelf niet zou begrijpen wat de bedoeling is) met een schreeuwend kind voor me, zijn zusje vanuit de buggy verbaasd toekijkend, realiseerde ik me: er klopt hier iets niet.Waarom was ik hier mij kind aan het overtuigen van iets wat hij logischerwijs zelf leuk zou moeten vinden? Hoe het ook komen mocht, moe dwarse bui, whatever,  hij vindt er echt geen bal aan.

Louie kan ook wel eens tegensputteren als ik überhaupt met hem weg wil, maar eenmaal buiten draaft ‘ie met zijn korte beentjes, af en toe struikelend over zijn laarsjes,  doelgericht naar het park. Daar aangekomen neemt hij zijn vaste route: richting uitgang aan de andere kant, waar de trams zijn. ‘Tram sien’ zegt hij dan gebiedend. En dan gaan we naar de tram zien. En nog een. En nog een. En na zijn dagelijkse dosis wielen wandelt hij weer braaf mee, tegenwoordig zelfs op een loopfiets, waar hij ook heel lang om ons onduidelijke redenen niks van moest hebben.

Het zal dus wel weer een of andere fase zijn, en ondertussen haal ik mijn schouders op bij de verbaasde blikken van andere moeders, vaders en kinderen wanneer wij zonder aarzelen aan het speelparadijs voorbijgaan.

Afbeelding

Buiten spelen